CBN advies C102 - Overschakeling op de euro - Aspecten in verband met de geconsolideerde jaarrekening


De Commissie heeft in haar (in bulletin nr. 37 gepubliceerde) advies 173/1 over de «Overschakeling op de euro : boekhoudrechtelijke aspecten» aangekondigd de specifieke problemen (1) in verband met de geconsolideerde jaarrekening in een later advies te behandelen (2).

Die problematiek wordt nu in dit advies aangesneden, uitgaande van de filosofie die ten grondslag ligt aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de boekhoudkundige verwerking van de omrekeningsverschillen naargelang een moederonderneming, bij de omrekening van de financiėle staten van haar in het buitenland gevestigde dochters, de zogenaamde «slotkoersmethode» dan wel de «monetaire/niet-monetaire methode» gebruikt.

In het Verslag aan de Koning dat het voornoemde besluit voorafgaat, wordt onderstreept dat de omrekeningsverschillen berekend conform de «monetaire/niet monetaire methode» (die in het bijzonder geschikt is voor buitenlandse dochters waarvan de bedrijfsuitoefening integrerend deel uitmaakt van het bedrijf van de moederonderneming) in beginsel in resultaat worden genomen; de positieve verschillen kunnen echter worden uitgesteld volgens de regels die door de consoliderende onderneming voor haar jaarrekening worden toegepast.

Wordt daarentegen de «slotkoersmethode» gebruikt (die meer in het bijzonder geschikt is voor buitenlandse dochters die een bepaalde economische en financiėle autonomie vertonen ten aanzien van de consoliderende onderneming of de andere geconsolideerde ondernemingen), dan wordt de resultatenrekening (behoudens bij overdracht van de hele deelneming of een deel ervan of bij de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van het voor de consolidatie van de dochter gebruikte eigen vermogen) niet beļnvloed door de omrekening van de financiėle staten van de buitenlandse dochters. Onder het eigen vermogen (3) worden in de post «Omrekeningsverschillen» die omrekeningsverschillen opgenomen die betrekking hebben op de netto-positie in het begin van de periode, alsook de omrekeningsverschillen die voortvloeien uit het gebruik van de slotkoers in de balans en uit de gemiddelde koers in de resultatenrekening. In dat verband moet worden onderstreept dat de aldus door de Belgische boekhoudreglementering geponeerde beginselen overeenstemmen met die in de normen IAS 21 en FAS 52 (4).

1. Toepassing van de «slotkoersmethode»

    Bij de toepassing van de «slotkoersmethode» moet, ingevolge de overschakeling op de euro, een onderscheid worden gemaakt tussen twee aspecten :

    • het eerste aspect - dat eigen is aan de overschakeling op de euro - betreft de gevolgen die de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen tussen de aan de euro deelnemende munten heeft voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening;

    • het tweede - meer algemene - aspect betreft de inresultaatneming van de omrekeningsverschillen bij een latere overdracht van een dochter of bij de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van het voor de consolidatie van de dochter gebruikte eigen vermogen.

  • 1.1. Boekhoudkundige verwerking van omrekeningsverschillen bij de invoering van de euro

      Met toepassing van de slotkoersmethode worden alle (zowel monetaire als niet-monetaire) actief- en passiefbestanddelen tegenover derden van de verschillende in de consolidatie opgenomen buitenlandse dochters tegen slotkoers omgerekend in de geconsolideerde jaarrekening afgesloten op 31 december 1998.

      De definitieve vaststelling van zowel de omrekeningskoersen van de aan de Muntunie deelnemende munten ten aanzien van de euro, als de bilaterale wisselkoersen tussen die verschillende nationale munten, alsook de toepassing van die omrekeningskoersen in de vanaf 31 december 1998 afgesloten jaarrekeningen hebben tot gevolg dat - voor de dochters en de verbonden ondernemingen die ressorteren onder de Lid-Staten van de Muntunie - de op 31 december 1998 in de geconsolideerde jaarrekeningen vastgestelde omrekeningsverschillen definitief zijn vastgelegd. Bijgevolg zal geen enkele schommeling in de wissel- of omrekeningskoers voortaan, in de geconsolideerde jaarrekening, nog een invloed hebben op het bedrag van de op die munten vastgestelde «Omrekeningsverschillen».

      In beginsel kunnen die omrekeningsverschillen, bij de invoering van de euro, op drie manieren worden verwerkt :

      • 1° ze kunnen in resultaat worden genomen;

      • 2° ze kunnen naar de geconsolideerde reserves worden overgeboekt;

      • 3° ze kunnen voorlopig in het geconsolideerde eigen vermogen behouden blijven en later in resultaat worden genomen wanneer de deelneming wordt overgedragen of verminderd (5).

      1° Bij de eerste benadering wordt verwezen naar de - met name door de Commissie - gehuldigde filosofie inzake statutaire jaarrekeningen. De consolidatie van de in de Lid-Staten van de Muntunie gevestigde dochters zou immers geen omrekeningsverschillen meer opleveren. Vroegere omrekeningsverschillen zouden dan ook als definitief verworven kunnen worden beschouwd.

      Er zijn evenwel een aantal bezwaren tegen die benadering die verband houden met :

      • enerzijds, de filosofie die ten grondslag ligt aan het ontstaan van consolidatieverschillen bij de omrekening van jaarrekeningen van buitenlandse dochters die volgens de slotkoersmethode worden verwerkt, en aan de regels voor de inresultaatneming van dergelijke omrekeningsverschillen;

      • anderzijds, de specifieke problemen die opduiken bij de overschakeling op de euro.

      Als unaniem door de internationale en buitenlandse boekhoudnormen én het koninklijk besluit van 6 maart 1990 gehuldigd beginsel geldt dat een omrekeningsverschil dat ontstaat bij toepassing van de slotkoersmethode, niet in resultaat wordt genomen zolang de deelneming niet geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen aan een derde. De geaccumuleerde omrekeningsverschillen zijn in de regel bepalend voor de vaststelling van het overdrachtsresultaat, omdat die verschillen bij de overdracht van de betrokken dochter in resultaat worden genomen. Dit beginsel wordt met name gehuldigd in § 32 van IAS 21 : «these exchange differences are not recognised as income or expenses for the period because the changes in the exchange rates have little or no direct effect on the present and future cash flows from operations of either the foreign entity or the reporting enterprise. When a foreign entity is consolidated but is not wholly owned, accumulated exchange differences arising from translation and attributable to minority interests are allocated to, and reported as part of, the minority interest in consolidated balance sheet.»

      De overschakeling op de euro is weliswaar een zeer specifieke gebeurtenis, maar fundamenteel verandert er niets aan de analyse die aan de basis ligt van de toepassing van de slotkoersmethode en die ernaar streeft te voorkomen dat, in het kader van geconsolideerde jaarrekeningen die door moederondernemingen met autonome buitenlandse dochters zijn opgesteld, de waardering van de financiėle positie van die dochters zou worden beļnvloed door deviezenschommelingen waarop die «autonome» buitenlandse dochters geen greep hebben. Dit verklaart waarom de omrekeningsverschillen, bij toepassing van die methode, rechtstreeks aan het eigen vermogen worden toegerekend, want ze zijn uitsluitend te wijten aan de omrekening van de financiėle staten van de betrokken dochter.

      Het door de Europese Commissie gepubliceerde document «De financiėle verslaggeving en de invoering van de euro» neemt terzake die paragraaf van IAS 21 over en voegt daaraan toe dat «het daarom niet op zijn plaats is deze cumulatieve omrekeningsverschillen vóór de periode (6) waarin de buitenlandse activiteit wordt verkocht of geliquideerd, als winst of verlies in de winst- en resultaatrekening te verantwoorden» (7).

      Bovendien moet worden onderstreept dat met de benadering waarbij dergelijke omrekeningsverschillen in resultaat zouden worden genomen (ingevolge de overschakeling op de euro), die verschillen als kosten of opbrengsten moeten worden beschouwd omdat ze, door de invoering van de euro, vaststaan. De verschillen ingevolge de omrekening van de jaarrekeningen van buitenlandse dochters zijn echter een accumulatie van allerhande verschillen op zowel monetaire als niet-monetaire balansposten. Gelet op het beginsel dat er overeenstemming moet zijn tussen kosten en opbrengsten, kunnen die verschillen bij gevolg slechts in resultaat worden genomen wanneer de betrokken belegging geheel of gedeeltelijk wordt verwezenlijkt. Wanneer geen rekening wordt gehouden met de potentiėle meerwaarden op de activa, is er immers geen reden om de omrekeningsverschillen in resultaat te nemen wanneer de wisselkoersen worden vastgesteld, wat geen fundamentele weerslag heeft op de aard van de omrekeningsverschillen.

      Dergelijke omrekeningsverschillen in de geconsolideerde balans beantwoorden bijgevolg niet aan de voorwaarden om in resultaat te worden genomen en mogen niet worden gelijkgesteld met de omrekeningsverschillen in de statutaire jaarrekening (die uitsluitend betrekking hebben op verschillen op monetaire balansposten, welke verschillen ingevolge de invoering van de euro definitief zijn geworden).

      De variante waarbij omrekeningsverschillen in resultaat zouden worden genomen via een systematische afschrijving (over 5 of 10 jaar bijvoorbeeld), zou dezelfde nadelen hebben als een integrale inresultaatneming van die omrekeningsverschillen op 31 december 1998. Bovendien kan men niet aantonen welke de geschikte periode is om te bepalen op welke wijze de omrekeningsverschillen in resultaat moeten worden genomen. Dat kan alleen op basis van de economische levensduur van het goed in kwestie, in dit geval dus de deelneming in de betrokken dochter, waarvan op die datum moeilijk kan worden geschat hoe lang die nog binnen de groep behouden zal blijven.

      2° De tweede benadering - rechtstreekse en integrale overboeking van die bedragen naar de geconsolideerde reserves (zonder opneming in de resultatenrekening) - zou steunen op de boekhoudkundige verwerking die bepaalde normensystemen toestaan bij wijziging van de boekhoudreglementering. Voor de verwerking van de overschakeling op de euro in de statutaire jaarrekening een dergelijke benadering echter zowel op Europees vlak als door de Commissie voor Boekhoudkundige Normen verboden. Bovendien zou die methode van toerekening aan de geconsolideerde reserves, neerkomen op een vertekening van het begrip «geconsolideerde reserves», namelijk de accumulatie van resultaten via de resultatenrekening.

      3° Gelet op de voornoemde beschouwingen, is de Commissie dan ook van oordeel dat het, in het kader van de slotkoersmethode, aangewezen is om de op 31 december 1998 vastgestelde omrekeningsverschillen in het eigen vermogen te behouden. Bijgevolg worden die verschillen pas in resultaat genomen wanneer de deelneming in de dochter geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen (8).


      Wanneer een moederonderneming haar geconsolideerde jaarrekening voor het eerst (9) in euro gaat opstellen en openbaar maken, heeft die overschakeling op de euro geen enkele invloed op de omrekeningsverschillen (die kunnen dus niet veranderen louter door de omrekening in euro van de jaarrekening van dochters uit Lid-Staten van de Muntunie).

      Technisch gezien zullen de moederondernemingen de mogelijkheid hebben om :

      • ofwel gebruik te maken van de door de betrokken buitenlandse dochter in deviezen opgestelde jaarrekening en die om te rekenen in Belgische frank, wat, in voorkomend geval, resulteert in een omrekeningsverschil dat, conform de voornoemde beginselen, in de geconsolideerde jaarrekening moet worden verwerkt.

        De in Belgische frank opgestelde geconsolideerde jaarrekening met alle in de consolidatie opgenomen ondernemingen en alle ondernemingen waarop de vermogensmutatiemethode wordt toegepast, zullen daarna mechanisch in euro worden omgezet. Deze techniek waarborgt de continuļteit van de tot dan toe gehanteerde methodes om de financiėle staten van in de Lid-Staten van de Muntunie gevestigde dochters om te zetten (via de slotkoersmethode). Bovendien is het met die methode mogelijk om, enerzijds, de verschillende eigen vermogensbestanddelen (10) van die buitenlandse dochters en verbonden ondernemingen tegen passende omrekeningskoersen te waarderen en, anderzijds, (in het eigen vermogen en tot op het ogenblik waarop de deelneming geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen) een omrekeningsverschil te behouden dat de respectieve evolutie van de Belgische frank en de betrokken deviezen (vóór de invoering van de euro) op passende wijze weerspiegelt;

      • ofwel gebruik te maken van door de (in de Lid-Staten van Muntunie gevestigde) dochters in deviezen opgestelde jaarrekening die rechtstreeks in euro wordt omgerekend (zonder eerst in Belgische frank te worden omgezet).

        Het gebruik van deze tweede techniek impliceert, in het kader van de slotkoersmethode, dat verschillende eigen-vermogensbestanddelen van de betrokken dochter moeten worden herwerkt. Door die herwerking kunnen de tot op de datum van de overschakeling op de euro vastgestelde omrekeningsverschillen op passende wijze worden gehandhaafd.


      Indien bij de overschakeling op de euro een negatief omrekeningsverschil (i.e. bij ontwaarding van de vreemde munt tegenover de Belgische frank, in casu de functionele munt) voorgoed blijft bestaan voor een groter bedrag dan de eventuele meerwaarde bij overdracht van de betrokken deelneming, dan zou de onderneming een minderwaarde moeten boeken op die post met een debetsaldo. Dat zou met name het geval zijn wanneer de boekwaarde van de dochter groter zou zijn dan haar correct geactualiseerde toekomstige cash-flows of haar specifieke waarde voor de groep. Op grond van het voorzichtigheidsbeginsel zou het gedeelte van het negatieve omrekeningsverschil dat de (voorzichtig en te goeder trouw geschatte) potentiėle meerwaarde zou overschrijden, ten laste moeten worden genomen, net als trouwens alle overige «actiefposten».


      Qua voorstelling van die (voortaan vaststaande) omrekeningsverschillen in het geconsolideerde eigen vermogen, is het belangrijk die omrekeningsverschillen te onderscheiden van de omrekeningsverschillen op munten die niet deelnemen aan de euro. In dat verband en indien het om relevante omrekeningsverschillen gaat, is het aangewezen ze duidelijk te identificeren in de geconsolideerde toelichting (meer bijzonder in Staat VI van die toelichting).

  • 1.2. Boekhoudkundige verwerking van het omrekeningsverschil bij de overdracht of de (gedeeltelijke) vermindering van (het) de deelneming(spercentage) in het kapitaal van de dochter

      Omrekeningsverschillen (die ontstaan bij de toepassing van de slotkoersmethode en die in het eigen vermogen worden vastgelegd) zijn één van de elementen die het resultaat bepalen bij gehele of gedeeltelijke overdracht van de deelneming in het kapitaal van de tot dan toe geconsolideerde dochter. Met andere woorden, indien de overdrachtsprijs in theorie zou overeenstemmen met de waarde van het in euro geconverteerde eigen vermogen zoals uitgedrukt in de boekhouding van de betrokken dochter, dan zou het geconsolideerde resultaat van de overdracht overeenstemmen met de omrekeningsverschillen op het eigen vermogen van die dochter (11). Dit komt trouwens ook terug in paragraaf 14 van FAS 52 : «Upon sale or upon complete or substantially complete liquidation of an investment in a foreign entity, the amount attributable to that entity and accumulated in the translation adjustment component of equity shall be removed from the separate component of equity and shall be reported as part of the gain or loss on sale or liquidation of the investment for the period during which the sale or liquidation occurs.»

2. Toepassing van de "monetaire/niet-monetaire methode" (12)

  • 2.1. Voorafgaande overwegingen

      Deze methode maakt traditioneel een onderscheid tussen monetaire en niet-monetaire elementen (13) om de (verschillende) manieren te definiėren waarop ze worden opgenomen in de om te rekenen balans. Monetaire bestanddelen worden immers omgerekend tegen de geldende koers bij de afsluiting van de geconsolideerde jaarrekening, terwijl niet- monetaire bestanddelen worden omgerekend tegen hun historische koers.

      In dat geval vloeit het omrekeningsverschil voort uit de samenloop van de volgende elementen (14) :

      • 1) het verschil dat voortvloeit uit de schommeling tijdens het boekjaar van de tegen historische koers omgerekende posten (i.e. niet- monetaire posten);

      • 2) het verschil dat voortvloeit uit de schommeling tijdens het boekjaar van de slotkoers ten opzichte van het saldo bij het begin van het boekjaar van de tegen slotkoers omgerekende bestanddelen (i.e. monetaire posten);

      • 3) het verschil dat wordt vastgesteld voor de resultatenrekeningposten die zijn omgerekend tegen een andere koers dan de voor de balansposten geldende koers.

      In deze methode wordt het omrekeningsverschil in resultaat genomen (15).

  • 2.2. Verwerking van de volgens de monetaire/niet-monetaire methode omgerekende jaarrekening van buitenlandse dochters, in het kader van de overschakeling op de euro

      Kunnen bij de boekhoudkundige verwerking van aldus omgerekende financiėle staten van de dochters specifieke problemen ontstaan ingevolge de overschakeling op de euro?

      • Theoretisch is er geen verschil tussen de toepassing van die methode voor consolidatiedoeleinden en de traditioneel gebruikte methode voor de omrekening, in de statutaire jaarrekening, van de in vreemde munten uitgedrukte bestanddelen, welke methode trouwens ook het onderscheid tussen «monetaire» en «niet-monetaire posten» steunt.

        In die optiek zou de waardering van de actief- en passiefposten (tegenover derden) van de buitenlandse dochter inderdaad hetzelfde moeten opleveren als wanneer de moederonderneming de verrichtingen van de dochter rechtstreeks in haar eigen statutaire jaarrekening zou hebben uitgedrukt).

        De aanbevelingen die de Commissie terzake heeft geformuleerd in het voornoemde advies 173/1, kunnen dus mutatis mutandis worden toegepast, wat in voorkomend geval een omrekeningsverschil oplevert dat in de geconsolideerde jaarrekening moet worden verwerkt conform de beginselen van punt 2.1. van dit advies.

      • Praktisch zal een moederonderneming, wanneer zij beslist om haar geconsolideerde jaarrekening voor het eerst in euro op te stellen en openbaar te maken, gebruik maken van de in deviezen opgestelde jaarrekeningen van haar dochters die zijn opgericht naar het recht van een andere Lid-Staat van de Muntunie en ze omrekenen in Belgische frank. Vervolgens zullen die jaarrekeningen mechanisch worden omgerekend in euro. Door de toepassing van de monetaire/niet- monetaire methode zullen (in de in euro opgestelde geconsolideerde balans), onder de niet-monetaire activa (en passiva), in euro uitgedrukte bedragen verschijnen die overeenstemmen met de bedragen in de vreemde munt (die deel uitmaakt van de euro). Welnu, per definitie werkt de methode van de historische koers precies met de koers die werd gebruikt op de dag waarop die niet-monetaire post in de geconsolideerde balans werd opgenomen (16).

      In het kader van de overschakeling op de euro, zal die logica tot gevolg hebben dat er een verschil ontstaat tussen :

      • enerzijds, de waarde van die (niet-monetaire) bestanddelen verbonden aan die dochter, die voortvloeien uit de omrekening van de geconsolideerde jaarrekening in euro;

      • anderzijds, die waarde die voorkomt in de in euro uitgedrukte (niet-geconsolideerde) balans van de dochter.

      Dit verschil is een gevolg van de schommeling in de tussen de beide betrokken munten vastgestelde wisselkoers tussen de aanschaffingsdatum van het niet-monetaire actief en de invoering van de euro (waarvoor duurzame bilaterale wisselkoersen tussen de verschillende deelnemende nationale munten zullen worden vastgesteld). Afgezien daarvan zou een dergelijk verschil (theoretisch) ook kunnen worden vastgesteld wanneer niet de niet- autonome dochter (17) maar de moederonderneming de aanschaffing, in vreemde munt, van het betrokken niet-monetaire actief (18) rechtstreeks in haar eigen statutaire jaarrekening zou hebben uitgedrukt.

      De invoering van de euro kan echter niet tot gevolg hebben dat de moederonderneming daarom de waardering van de niet-monetaire activa en passiva in het bezit van haar buitenlandse dochters, zou moeten wijzigen (19).

      Notas

      (1) Er wordt opgemerkt dat de rekeningen van de verschillende in de consolidatie opgenomen ondernemingen, vóór de consolidatie, reeds op enkelvoudig niveau de impact van de overschakeling op de euro hebben ondergaan op de waardering van de monetaire posten uitgedrukt in een andere munt van de Muntunie dan de munt van die in de consolidatie opgenomen onderneming.

      (2) In verband met de openbaarmaking van de geconsolideerde jaarrekening heeft de Commissie in advies 173/1 niettemin reeds voorgesteld om een onderscheid te maken tussen de benadering voor de openbaarmaking van de statutaire jaarrekening en die voor de openbaarmaking van de geconsolideerde jaarrekening, om de ondernemingen op die manier in staat te stellen hun vanaf 31 december 1998 afgesloten geconsolideerde jaarrekening openbaar te maken in euro (met andere woorden, vooruitlopen op de start van fase B die zou moeten samenvallen met het gebruik van de euro als giraal betaalmiddel).

      (3) Wanneer de omrekeningsverschillen, conform de slotkoersmethode, worden opgenomen onder de post «Omrekeningsverschillen» van het eigen vermogen, wordt het deel van die verschillen dat, in voorkomend geval, aan derden toekomt, aan passiefzijde geboekt onder de post «Belangen van derden» (waar het wordt gegroepeerd met de andere bestanddelen die hen toekomen).

      (2) International Accounting Standard IAS 21 (revised 1993), «The effects of changes in foreign exchange rates»; Statement of Financial Accounting Standards FAS 52, «Foreign Currency Translation».

      (5) Of bij de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het voor de consolidatie van de betrokken dochter gebruikte eigen vermogen.

      (6) De Commissie voor Boekhoudkundige Normen is van oordeel dat, in de Franse tekst van het document, ten onrechte de woorden «au plus tard» worden gebruikt, want onverenigbaar met de basisfilosofie van de methode. Bijgevolg moeten ze worden weggelaten bij het lezen van de betrokken passage in de Franse tekst.

      (7) Europese Commissie, DG XV, «De financiėle verslaggeving en de invoering van de euro», juni 1997, p. 21. Ook het Standing Interpretations Committee (SIC) van het IASC en de Urgent Issues Task Forces (UITF) van de ASB, de Britse instelling belast met boekhoudnormalisatie, hebben (op de datum waarop dit advies werd opgesteld) een ontwerptekst gepubliceerd met hun zienswijze over de verwerking, bij de invoering van de euro, van het omrekeningsverschil dat, bij toepassing van de methode, ontstaat op de financiėle staten van dochters. De conclusies van beide comités lopen terzake parallel met de conclusies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen in dit advies.

      (8) Of bij de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het voor de consolidatie van de betrokken dochter gebruikte eigen vermogen.

      (9) Ten vroegste 31 december 1998 en uiterlijk 31 december 2001.

      (10) In de veronderstelling dat de onderneming haar geconsolideerde jaarrekening voor het eerst in euro opstelt na afloop van het boekjaar dat volgt op het op 31 december 1998 afgesloten boekjaar (of dat eind 1998 nog loopt), is de opmerking van de Commissie in verband met het gebruik van rekeningen die in deviezen zijn opgesteld door de buitenlandse dochters en die (vóór hun automatische omzetting in euro) in Belgische frank moeten worden omgerekend, - bij toepassing van de slotkoersmethode - slechts van belang voor de passende waardering van de op 31 december 1998 reeds bestaande eigen vermogensbestanddelen van de dochters.

      (11) De wijze waarop negatieve omrekeningsverschillen worden weggewerkt op datum van de overdracht, verdient enige toelichting, al wenst de Commissie te onderstrepen dat dit geen inherent probleem is van de overschakeling op de euro. Zij is van oordeel dat zo'n negatief omrekeningsverschil deel uitmaakt van de boekwaarde van de deelneming die zal worden overgedragen. Dit betekent, met andere woorden, dat dit verschil in resultaat moet worden genomen (voor het in de geconsolideerde reserves wordt opgenomen), waardoor de geconsolideerde winst of het geconsolideerde verlies van de overdracht wordt bezwaard. Dit is de meest coherente benadering omdat zij als voordeel biedt dat zij kan worden gebaseerd op een redenering naar analogie van advies C 101 «Resultaat uit de verkoop van deelnemingen» (Bulletin nr. 27 van februari 1992). Laatstgenoemd advies schrijft immers een inresultaatneming van het negatieve consolidatieverschil voor bij de (volledige of gedeeltelijke) overdracht van de deelneming.

      (12) Ook wel methode van de historische koers of tijdsmethode genoemd.

      (13) Voor een definitie van monetaire en niet-monetaire posten, zie pagina's 5 en 12 van advies 152/1 «Boeking van deviezenverrichtingen en verwerking van tegoeden en verplichtingen in deviezen in de jaarrekening» (Bulletin nr. 20 van december 1987).

      (14) die worden uitgelegd op basis van de slotkoers van het boekjaar.

      (15) Wanneer de omrekeningsverschillen, conform de monetaire/niet- monetaire methode, in resultaat worden genomen, wordt het deel van die omrekeningsverschillen dat toekomt aan derden, in de resultatenrekening opgenomen in de post «Aandeel van derden in het resultaat».

      (16) Of van de dag van de laatste herwaardering van dat niet-monetaire actief.

      (17) Waarvan de jaarrekening bijgevolg moet worden omgerekend conform de monetaire/niet-monetaire methode.

      (19) Het spreekt trouwens voor zich dat, met toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen, moet worden nagegaan of de waarde in de geconsolideerde balans niet hoger ligt dan de «correcte waarde» van het niet-monetaire element. In het tegenovergestelde geval zou o.a. een waardevermindering of een uitzonderlijke afschrijving moeten worden geboekt conform de aard van het betrokken niet-monetaire actief.

      (18) Waarvan de aanschaffingswaarde in Belgische frank het resultaat zou zijn geweest van de toepassing van de omrekeningskoers (in euro) op de in de vreemde munt uitgedrukte prijs en die in beginsel niet had kunnen worden beļnvloed door de latere evolutie van de wisselkoers van de vreemde munt ten opzichte van de Belgische frank en, vanaf 31 december 1998, ten opzichte van de euro.

      Bron : Bulletin CBN, nr. 42, februari 1998, p. 22-35