CBN advies 175-2 - Verwerking in de jaarrekening over het boekjaar 1999 van de "Maribel bis en ter"-steun toegekend voor de boekjaren 1993, 1994,1995 en 1996


Als gevolg van een aantal beslissingen over de "Maribel bis en ter"- steun die in de loop van 1996 en 1997 werden genomen door de Europese Commissie enerzijds en de Belgische regering anderzijds, heeft de Commissie in maart 1997 een advies gepubliceerd over de boekhoudkundige verwerking van deze "Maribel"-steun in de jaarrekening over het boekjaar 1996 en de daaropvolgende boekjaren.

Dit advies werd een jaar later geactualiseerd en opgenomen in Bulletin nr. 43 (1) .

In het hierna volgende advies worden eerst de in advies 175/1 aangenomen werkhypothesen en de daarop afgestemde boekhoudkundige verwerkingen herhaald. Vervolgens worden de nieuwe gegevens toegelicht die een aanvullend advies verantwoorden en wordt er een boekhoudkundige verwerking uit afgeleid die beantwoordt aan de in de boekhoudwetgeving opgenomen principes.

  • 1. Adv. 175/1 "Verwerking in de jaarrekening over het boekjaar 1996 en de daaropvolgende boekjaren van de "Maribel bis en ter"- steun toegekend voor de boekjaren 1993, 1994, 1995 en 1996", Bulletin nr. 43, maart 1998

    Als gevolg van de beslissing van de Europese Commissie om de "Maribel bis en ter"-steunmaatregelen strijdig te verklaren met de voorschriften van artikel 92, lid 1 van het Verdrag en bijgevolg passende maatregelen te eisen om enerzijds de extra vermindering van de sociale bijdragen ongedaan te maken en anderzijds de betrokken steun terug te vorderen, werden door de Commissie in advies 175/1 twee hypothesen in aanmerking genomen om te beoordelen hoe de begunstigde ondernemingen die steunmaatregelen op het einde van het boekjaar 1996 en van de daaropvolgende boekjaren, boekhoudkundig zouden verwerken.

    In een eerste hypothese werd ervan uitgegaan dat de Regering zou beslissen niets te wijzigen aan de door de beslissing van de Europese Commissie gewraakte "Maribel bis en ter"-steun en de uitgekeerde toelagen van de betrokken ondernemingen zonder meer zou terugvorderen. In deze hypothese zouden de ondernemingen een voorziening moeten vormen voor het totale bedrag van de "Maribel bis en ter"-steun.

    In een tweede hypothese werd verondersteld dat de Regering haar beslissing zou kunnen handhaven om een eventuele terugvordering nooit de vorm te laten aannemen van een werkelijke terugvordering en, zo die toch juridisch onvermijdelijk zou zijn, een compromis na te streven met de Europese Commissie om de ondernemingen die geen "Maribel bis en ter"- steun hadden gekregen daarvoor een (retroactieve) compensatie te geven.

    Ten aanzien van deze tweede hypothese heeft de Commissie in haar voornoemd advies 175/1 gesteld dat "aangezien blijkt uit de Regeringsbeslissing dat er van ondernemingen die in het verleden "Maribel bis en ter" steun ontvingen, hoe dan ook niets zal worden teruggevorderd, (...) er boekhoudrechtelijk gezien geen reden (is) om voorzieningen te vormen voor de kost verbonden aan een dergelijke terugbetaling, a fortiori een schuld te boeken voor het overeenstemmende bedrag".

    Niettemin heeft de Commissie het in datzelfde advies aanvaardbaar geacht dat het bestuursorgaan van een onderneming op basis van een feitelijke beoordeling van de waarschijnlijkheid van het risico dat de Belgische Staat er juridisch zou kunnen toe verplicht worden de betrokken steun toch terug te vorderen, ter dekking van dit risico op grond van artikel 13 van het jaarrekeningbesluit een voorziening zou vormen of een reeds gevormde voorziening zou handhaven.

    Met betrekking tot belangrijke bedragen werd alleszins een passende vermelding in de toelichting aanbevolen over de gekozen benadering.

    Zoals verder zal blijken, dient inmiddels te worden vastgesteld dat geen enkele van de hiervoor beschreven hypothesen beantwoordt aan de nu gekende afwikkeling van de betwisting rond de "Maribel bis en ter"-steun.

  • 2. Nieuwe gegevens

    In een arrest van 17 juni 1999 heeft het Europees Hof van Justitie het annulatieberoep van de Belgische Regering tegen de beschikking van de Europese Commissie over de steunmaatregelen in het kader van de "Maribel bis en ter"-regeling, verworpen.

    Daarop heeft de Belgische regering een protocol uitgewerkt om een oplossing te bieden voor de Maribel bis en ter -steunmaatregelen die onverenigbaar werden verklaard met de gemeenschappelijke markt. Op enkele details na, heeft de Europese Commissie op 23 juni 1999 ingestemd met dit protocol waarin enerzijds de basisprincipes werden vastgelegd voor de uit te werken oplossing (administratieve eenvoud, economische haalbaarheid en wettelijke basis) en anderzijds een aantal concrete uitvoeringsmodaliteiten werden bepaald.

    Om voor dit protocol in een juridische grondslag te voorzien, heeft de Belgische regering op 30 november 1999 bij de Kamer een wetsontwerp ingediend dat inmiddels werd goedgekeurd en bekendgemaakt (2) .

    In titel III, hoofdstuk IV van deze wet zijn de in het protocol overeengekomen principes en modaliteiten opgenomen inzake de regularisatie van de "Maribel bis en ter"-steun.

    Wat het toepassingsgebied betreft, gaat het enkel om de nog actieve ondernemingen, wordt gebruik gemaakt van de zgn. "de minimis" regel waardoor enkel ondernemingen in aanmerking worden genomen die meer dan vijftig werknemers tewerkstelden en wordt een casuïstische benadering in het vooruitzicht gesteld om rekening te houden met ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering.

    Wat de eigenlijke regularisatie betreft, wordt (al dan niet proportioneel) een forfaitair bedrag van 100.000 euro in mindering gebracht en wordt een fiscale correctie toegepast om rekening te houden met de als gevolg van de verkregen steun verhoogde winst. Dit bedrag moet worden verhoogd met verwijlintresten berekend vanaf de toekenning tot de regularisatie. De regularisatiebedragen worden gelijkgesteld met sociale zekerheidsbijdragen die verschuldigd worden op 1 april 2000 en die hetzij in één keer, hetzij in maximaal twaalf schijven kunnen betaald worden.

    Wat tenslotte de aanwending van de geregulariseerde bedragen betreft, zal het grootste gedeelte ervan worden besteed aan een algemene lastenverlaging voor alle sectoren.

  • 3. Boekhoudkundige verwerking

    Uit de hiervoor beschreven gegevens kan worden afgeleid dat de uiteindelijke regularisatie van de betwiste Maribel-steun het midden houdt tussen de in het advies 175/1 in aanmerking genomen hypothesen.

    Enerzijds is de betrokken terugvordering géén terugvordering zonder meer, maar worden er bijzondere modaliteiten in het vooruitzicht gesteld die het mogelijk moeten maken om rekening te houden met de individuele toestand van de betrokken ondernemingen.

    Anderzijds wordt er geen compenserende vergoeding toegekend aan de ondernemingen die de "Maribel bis en ter"-steun niet hebben gekregen, maar worden de teruggevorderde bedragen opnieuw verdeeld als lastenverlaging ten gunste van alle sectoren.

    Niettemin is de Commissie van oordeel, gelet op het voorzichtigheidsbeginsel, dat de terugvordering van de in het verleden onterecht toegekende "Maribel bis en ter"-steun tot een juridisch vaststaande terugbetalingsverplichting leidt die boekhoudrechtelijk als een schuld erkend dient te worden in de jaarrekening over het boekjaar 1999 samen met de eraan verbonden kost, tenzij in de mate waarin deze kost reeds voordien werd erkend. Artikel 19 van het jaarrekeningbesluit van 8 oktober 1976 bepaalt immers dat rekening moet worden gehouden met alle voorzienbare risico’s, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico’s, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het beheersorgaan van de onderneming wordt opgesteld en dat anderzijds rekening moet worden gehouden met de kosten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren ongeacht de dag waarop deze kosten worden betaald.

    Bij de waardering van deze terugbetalingsverplichting kan geen rekening worden gehouden met een eventueel "compenserend" effect van de aangekondigde structurele lastenvermindering gelet op het ontbreken van enig rechtstreeks verband tussen de terugvordering en de geplande algemene lastenverlaging zowel wat betreft het toepassingsgebied, de omvang van de bedragen en de periodes. De geplande lastenverlaging leidt voor alle sectoren tot een toekomstige vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen die in de boekhouding niet als een afzonderlijke opbrengst zal worden erkend, doch in mindering zal worden gebracht van de te betalen sociale zekerheidsbijdragen.

    Aangezien er nu voldoende duidelijkheid heerst over de omvang van de terugbetalingsverplichting, dienen de reeds in het verleden gevormde voorzieningen te worden aangewend voor de erkenning van een schuld. In hoofdstuk III van de bijlage bij het jaarrekeningenbesluit van 8 oktober 1976 worden schulden immers omschreven als :"... de te betalen kosten die in de loop van het boekjaar of van een vorig boekjaar werden gemaakt en waarvoor nog geen titel bestaat maar waarvan het bedrag vaststaat of met nauwkeurigheid kan worden geschat...".

Notas

(1) Zie adv. 175/1, Bulletin nr. 43, maart 1998, p. 41-50.

(2) Wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen, Belgisch Staatsblad van 31 december 1999.

Bron : Bulletin CBN, nr. 46, Mei 2000, p. 22-24