CBN advies 173-6 - Verrekening van vorderingen en schulden die oorspronkelijk zijn uitgedrukt in munten die overgaan in de euro


De vraag werd gesteld of een onderneming haar wederzijdse vorderingen en schulden met eenzelfde tegenpartij, in verschillende munten die op 1 januari 1999 niet-decimale onderverdelingen van de euro worden, op die datum in haar boekhouding en jaarrekening mag - of moet - verrekenen ten belope van het kleinste van beide betrokken bedragen.

Gesteld dat een onderneming naar Belgisch recht op 31 december 1998 een onmiddellijk opeisbare vordering van 1 000 000 BEF bezit op een Duitse onderneming, waaraan zij tegelijkertijd 50 000 DEM schuldig is die eveneens onmiddellijk opeisbaar zijn.

Veronderstel dat de omrekeningskoers van DEM en BEF in euro is vastgesteld op respectievelijk 1,88 en 38,5. Op 1 januari 1999 heeft de Belgische onderneming dus een vordering van 26 596 euro op de Duitse onderneming en een schuld van 25 974 euro aan diezelfde onderneming, ook al blijven ze allebei in hun oorspronkelijke munt uitgedrukt.

Mag zij - moet zij - die schuld en die vordering die oorspronkelijk in verschillende munten waren uitgedrukt, verrekenen in haar boekhouding per 1 januari 1999 en in haar nŕ 31 december 1998 afgesloten jaarrekening ?

In het Europese recht

    Het reglement van de Europese Raad over de invoering van de euro dat als bijlage gaat bij de resolutie van de Raad van 7 juli 1997 betreffende het juridische kader van de invoering van de euro (1), en dat definitief wordt zodra de lijst van de Lid-Staten van de Muntunie zal zijn vastgesteld, bepaalt in artikel 8, § 6 dat «nationale wettelijke bepalingen van de deelnemende Lid-Staten die verrekening, compensatie of methoden met vergelijkbare gevolgen toestaan of opleggen, van toepassing zijn op monetaire verplichtingen, ongeacht de munteenheid waarin deze luiden, indien die munteenheid de euro-eenheid of een nationale munteenheid is; daarbij wordt de eventuele omrekening uitgevoerd tegen de omrekeningskoersen».

    Aangezien het Europese recht verwijst naar de nationale wettelijke bepalingen, moeten, enerzijds, het Belgische recht en, anderzijds, de buitenlandse rechtsstelsels worden onderzocht.

In het Belgische recht

    Als op de wederzijdse vorderingen en schulden het Belgische recht van toepassing is, «vernietigen zij elkaar op het ogenblik waarop zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag» voor zover zij «een geldsom en een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort tot voorwerp hebben» en zij «beide vaststaand en opeisbaar zijn». «Die schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars.» (Burgerlijk Wetboek, artikelen 1290 en 1291).

    Er moet dus niet alleen worden onderzocht of de in euro uitgedrukte wederzijdse vorderingen en schulden die voortvloeien uit vorderingen en schulden in verschillende munten, opeisbaar zijn, maar ook of zij betrekking hebben op vervangbare zaken en of zij vaststaand zijn.

    De Commissie wenst zich niet uit te spreken over de vraag of wettelijke schuldvergelijking mogelijk is voor wederzijdse vorderingen en schulden die in verschillende munten zijn uitgedrukt. Zij wijst erop dat de rechtsleer schuldvergelijking aanvaardt wanneer de betrokken munten converteerbaar zijn en genoteerd op een wisselmarkt (2).

    De Commissie is bijgevolg van oordeel dat zij zich niet kan uitspreken over de vraag of wederzijdse schulden en vorderingen in munten van landen die op 1 januari 1999 toetreden tot de Muntunie, elkaar in de op 31 december 1998 afgesloten jaarrekeningen, al dan niet vernietigen ingevolge wettelijke schuldvergelijking ten belope van het kleinste van beide bedragen die tegen de definitieve omrekeningskoers zijn omgerekend.

    Die vervangbaarheid staat daarentegen wel vast voor schulden en vorderingen die met ingang van 1 januari 1999 schulden en vorderingen in euro worden. Zelfs als zij nog in hun oorspronkelijke munt zijn uitgedrukt, zijn zij juridisch en financieel schulden en vorderingen in euro geworden die onderling kunnen worden uitgewisseld tegen de vastgestelde omrekeningskoers, zonder enige onzekerheid of enig risico omtrent de wisselkoers noch noodzaak of zelfs mogelijkheid tot een onderlinge wisselverrichting.

    Daaruit volgt dat er, ten belope van het kleinste van beide bedragen, met ingang van 1 januari 1999 geen wederzijdse vordering en schuld meer bestaan, voor zover die natuurlijk allebei op een vaststaand bedrag sloegen en opeisbaar waren. Die verrekening gebeurt los van het feit of, tijdens de overgangsperiode, de jaarrekening in Belgische frank of in euro wordt uitgedrukt, dan wel of de boekhouding in Belgische frank of in euro wordt gevoerd. Die schulden en vorderingen mogen dus niet

    langer, voor het overeenstemmende bedrag, voorkomen in de balans van de betrokken ondernemingen.

    Niettemin moet worden opgemerkt dat de wettelijke schuldvergelijking waarvan sprake in de voornoemde artikelen van het Burgerlijk Wetboek, niet van openbare orde is. Wederzijdse schuldeisers en schuldenaars kunnen dus op rechtsgeldige wijze afspreken hun wederzijdse schulden en vorderingen niet te verrekenen, zelfs al is aan de voorwaarden voor wettelijke schuldvergelijking voldaan. In dat geval moeten die schulden en vorderingen tot hun vervaldag behouden blijven in de boekhouding en de jaarrekening van de betrokken ondernemingen.

    Buiten het bestek van de gestelde vraag kan men volledigheidshalve hier nog aan toevoegen dat partijen contractueel kunnen overeenkomen hun wederzijdse vorderingen en schulden te verrekenen, zelfs als zij niet voldoen aan de voorwaarden voor wettelijke schuldvergelijking.

In buitenlandse rechtsstelsels

    Wettelijke schuldvergelijking van rechtswege, zoals geregeld in het Belgische recht, komt als dusdanig niet voor in tal van buitenlandse rechtsstelsels. In vele rechtsstelsels bestaat enkel conventionele schuldvergelijking die voortvloeit uit de vrije wilsuiting van de partijen. Bijgevolg moet, indien de wederzijdse schulden en vorderingen in euro onder een buitenlands rechtsstelsel worden vallen, worden onderzocht of het betrokken rechtsstelsel in dat geval wettelijke schuldvergelijking toestaat, en, zo niet, of in conventionele schuldvergelijking is voorzien.

Die wettelijke of contractuele schuldvergelijking staat volledig los van het verbod op verrekening tussen activa en passiva en tussen opbrengsten en kosten als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. Dat verrekeningsverbod geldt enkel voor gevallen waarin geen wettelijke of conventionele schuldvergelijking bestaat (cf. advies van de Raad van State en verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976).

Het gebeurt vaak dat twee ondernemingen in het kader van de organisatie van hun management afspreken voor al hun wederzijdse verrichtingen afzonderlijke rekeningen te hanteren, met dien verstande dat die, zowel voor de opeisbaarheid van het saldo als voor de interestverrekening (3), conventioneel als één rekening worden beschouwd. Met de invoering van de euro is zo'n situatie niet uitgesloten.

Notas

(1) Resolutie nr. 97/C 236/04, gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1997, C 236/7 en volgende.

(2) Toepassing van artikel 1291, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek; H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, Uitg. Bruylant, Brussel, 2de uitgave, Boek III, nr. 633, R. Vandeputte, De overeenkomst, Uitg. Larcier, Brussel, 1977, p. 295, nr. 2.

(3) Zie advies 105/1, «Compensatie tussen debet- en creditsaldi bij eenzelfde bankinstelling»; in Bulletin nr. 1 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, augustus 1977.

Bron : Bulletin CBN, nr. 42, februari 1998, p. 17-21