CBN advies 173-4 - Vervroegde vaststelling van de bilaterale wisselkoersen in mei 1998 : gevolgen voor het advies nr. 173/1 : «Overschakeling op de euro : boekhoudrechtelijke aspecten»


Tijdens een vergadering op 13 en 14 september 1997 in Mondorf met de Ministers van Financiën van de Lid-Staten van de Europese Unie, werd beslist om de bilaterale wisselkoersen van de Europese deviezen die in aanmerking komen voor de euro, vast te stellen tijdens het weekend van 2 en 3 mei 1998. Die wisselkoersen zullen worden gehanteerd bij de invoering van de eenheidsmunt, wat uiterlijk op 1 januari 1999 dient te geschieden, terwijl de omrekeningskoers in euro van de verschillende betrokken munten op 1 januari 1999 zal worden vastgesteld.

De Commissie werd gevraagd welke de eventuele gevolgen zijn van die beslissing voor haar advies 173/1 (1). In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat de Europese politieke overheden, op het ogenblik dat het advies werd gepubliceerd, nog geen loskoppeling overwogen van, enerzijds, de vaststelling van de bilaterale wisselkoersen, en, anderzijds, de definitieve omrekeningskoers voor de verschillende nationale munten in euro.


In dit verband wenst de Commissie te wijzen op het onderscheid tussen de vaststelling van die bilaterale wisselkoersen en de vaststelling van de koers voor de omrekening van de verschillende deelnemende munten in euro.

De omrekeningskoers (van de verschillende munten van de landen die deel zullen uitmaken van de Muntunie, in euro) zal namelijk bepalend zijn voor het getal waardoor de bedragen in nationale munt zullen worden gedeeld om in euro te worden uitgedrukt.

Die bilaterale wisselkoersen zullen daarentegen wel een rechtstreekse invloed hebben op alle monetaire bestanddelen in de nationale munt van een andere Lid-Staat van de Muntunie dan de Staat waaronder de onderneming ressorteert (2).

De koers voor de omrekening van de verschillende deelnemende munten in euro zal pas worden vastgesteld op 1 januari 1999. De waarde van de euro zal overeenstemmen met de waarde van de officiële ecu op 31 december 1998, die zal ophouden te bestaan op 1 januari 1999. De ecu is een uit Europese munten samengestelde korf. Bepaalde munten die deelnemen aan de ecu, namelijk het Engelse pond, de Deense kroon en de Zweedse kroon, behoren toe aan Lid-Staten die op 1 januari 1999 echter niet zullen toetreden tot de Muntunie. Daaruit volgt dat de bilaterale omrekeningskoersen die de deelnemers aan de Muntunie vanaf 1 januari 1999 zullen toepassen, weliswaar begin mei zullen worden vastgesteld, maar dat de omrekeningskoers op 1 januari 1999 tussen de deelnemende munten ten opzichte van de ecu - en bijgevolg ook ten opzichte van de euro - tot eind 1998 verder zal worden beïnvloed door de evolutie van de waarde van de munten die wel aan de ecu, maar niet aan de Muntunie deelnemen. Het spreekt echter voor zich dat de bilaterale wisselkoersen die begin mei worden vastgelegd tussen de deelnemende munten, volledig gerespecteerd zullen moeten worden bij de vaststelling van de omrekeningskoersen van elk van die munten ten opzichte van de euro.

In verband met de vaststelling, begin mei 1998, van de bilaterale wisselkoersen tussen de deelnemende munten dient het volgende te worden opgemerkt.

  • Die beslissing is vooral bedoeld als «signaal» voor de financiële markten in de periode tussen mei 1998 en 1 januari 1999. De bilaterale wisselkoersen zoals die begin mei 1998 zullen worden vastgesteld tussen de verschillende deelnemende munten, zullen immers pas formeel mogen worden toegepast op de dag waarop de euro daadwerkelijk wordt ingevoerd, dat wil zeggen de dag waarop fase B effectief in werking treedt (normaal is dit 1 januari 1999). Met andere woorden, slechts bij gebrek aan report en deport (i.e. het traditionele verschil tussen de contantkoers en de termijnkoers tussen twee munten), kunnen de koersen die in mei 1998 worden vastgesteld, effectief overeenstemmen met de contantwisselkoersen op die datum. Bij nader onderzoek blijkt dergelijke hypothese evenwel niet realistisch aangezien zij ervan uitgaat dat in die periode het niveau van de korte termijnrente in de verschillende betrokken Europese landen volledig identiek zou zijn.

  • De bilaterale wisselkoersen die begin mei zullen worden vastgesteld, zijn omrekeningskoersen op 1 januari 1999. Het zijn dus termijnkoersen en geen contantkoersen. Bijgevolg zal de contantkoers, die tussen 3 mei 1998 en 30 december 1998 tot stand zal komen op de markten, waarschijnlijk afwijken van de vanaf 1 januari 1999 geldende koers, ingevolge een report of deport dat meestal overeenstemt met het geldende renteverschil voor de monetaire rentevoeten, uitgedrukt in de twee betrokken munten.

  • Daarnaast zal er uiteraard tot 31 december 1998 een wisselmarkt blijven bestaan voor de diverse betrokken munten (nadien zal er alleen nog maar een mathematische omwisseling zijn tegen een vastgestelde koers) en zullen de koersen, waarschijnlijk binnen zeer enge grenzen (plus het report of min het deport), rond die omrekeningskoersen schommelen.

  • Om, tot 1 januari 1999, een deelnemende munt in een andere munt om te zetten, zal trouwens nog altijd een wisselverrichting moeten worden afgesloten, terwijl dat vanaf 1 januari 1999 niet meer nodig zal zijn.

Na onderzoek van al die gegevens blijkt het niet mogelijk om bij de vaststelling van de bilaterale wisselkoersen, vóór 31 december 1998 uit te maken welke precies de omrekeningsverschillen zullen zijn die de «definitief verworven» wisselverschillen zullen vastleggen en zouden voortvloeien uit het verschil tussen, enerzijds, de gehanteerde omrekeningskoers bij de oorspronkelijke boeking van de betrokken monetaire post (of bij de laatste tussentijdse afsluiting van de rekeningen) en, anderzijds, de in mei 1998 vastgestelde bilaterale wisselkoers. In het algemeen kan immers niet worden gesteld dat de bilaterale contantkoersen van de verschillende munten van de Muntunie (die tussen 4 mei 1998 en 31 december 1998 op de deviezenmarkten zullen gelden) zullen overeenstemmen met diezelfde bilaterale wisselkoersen, vastgesteld door de Europese overheden.


De Commissie is derhalve van oordeel dat de wisselresultaten die vennootschappen boeken bij het afsluiten van hun jaarrekeningen tussen de datum waarop de bilaterale wisselkoersen worden vastgesteld en 31 december 1998, niet als definitief verworven resultaten mogen worden beschouwd. Door de ontwikkelingen op de markten (tot de dag waarop de tegenwaarde van de euro in de verschillende deelnemende munten wordt vastgesteld) kunnen de latente resultaten die worden vastgesteld bij dergelijke tussentijdse afsluitingen, immers in zekere mate vergroten of zelfs aangetast worden. Dergelijke verschillen zullen uiteraard niet erg groot zijn, althans niet in de (meest waarschijnlijke) veronderstelling dat de wisselmarkten tijdens die periode een coherente ontwikkeling kennen.


Het onderstaande voorbeeld geeft een aantal - volgens de Commissie toch wel belangrijke - verduidelijkingen omtrent de aard van de wisselverschillen die worden vastgesteld in de monetaire posten in een andere munt van de Muntunie en die worden opgenomen in de jaarrekening die zal worden afgesloten :

  • na 2 of 3 mei 1998 (datum waarop wordt bekendgemaakt welke Lid-Staten toetreden tot de Muntunie en, tegelijkertijd, welke de bilaterale wisselkoersen zijn van de respectieve munten van de deelnemende Staten);

  • maar vóór 31 december 1998.

De beslissing van Mondorf verandert evenwel niets aan de redenering die de Commissie destijds (in haar advies 173/1) heeft gevolgd (voor een passende boekhoudkundige verwerking van de omrekeningsverschillen bij de overschakeling op de euro).

Het volgende voorbeeld maakt dit duidelijk :

  • Een onderneming naar Belgisch recht sluit haar boekjaar elk jaar af op 31 juli

  • Op 15 april 1998 maakt die onderneming een factuur op voor 1.000 FRF en boekt die tegen de op die datum geldende omrekeningskoers, namelijk 1 FRF = 6,2 BEF. Die (renteloze) factuur is, met onderlinge toestemming van beide betrokken partijen, betaalbaar op :

    • 1 juli 1999 (variant A);

    • 1 juli 1998 (variant B).

  • Er is geen dekkingsbestemmingsverrichting voor die monetaire post.

  • Zoals in september 1997 is beslist in Mondorf, wordt in mei 1998 de lijst bekendgemaakt van de Lid-Staten die toetreden tot de Muntunie (waaronder Frankrijk en België (3)) en worden tegelijkertijd de bilaterale wisselkoersen gepubliceerd, waaronder die tussen de FRF en de BEF (vastgesteld op 1 FRF = 6 BEF). Die bilaterale vaststelling van de koersen zou normaal gezien moeten overeenstemmen met de laatste marktnoteringen tussen beide munten.

  • Op de balansdatum van de jaarrekening 1997-1998 van de vennootschap, i.e. 31 juli 1998, zijn de marktnoteringen evenwel iets verschillend, omdat de wisselkoers 6,1 bedraagt.

  • De dag waarop de euro wordt ingevoerd, met andere woorden 1 januari 1999, wordt de tegenwaarde van de euro in BEF door de Europese politieke overheden vastgesteld op 1 euro = 40,2 BEF, met als gevolg (teneinde de bilaterale wisselkoers van 1 FRF = 6 BEF te respecteren) dat de tegenwaarde van de euro in FRF 6,7 bedraagt (4).

Boekhoudkundige verwerking voor variant A

    Op grond van de bovenstaande gegevens zal de herwaardering van de factuur in FRF bij de afsluiting op 31 juli 1998, een niet-gerealiseerd negatief wisselverschil opleveren van :

    (6,2 (initiële koers) - 6,1 (wisselkoers op 30/6/1998)) x 1 000 = (100)

    Dat wisselverschil (dat op 31 juli 1998 in resultaat wordt genomen) zal dus 100 BEF bedragen en niet het verschil tussen 6,2 (de koers van de oorspronkelijke boeking) en 6 (de bilaterale wisselkoers tussen de FRF en de BEF), vermenigvuldigd met 1 000, wat een bedrag van 200 geeft.

    In de jaarrekening op 31 juli 1999 zal, bij deze variant, in de resultatenrekening een nieuw negatief wisselverschil van 100 BEF blijken.

Boekhoudkundige verwerking voor variant B

    Ingeval de factuur op 1 juli 1998 wordt geïnd door de vennootschap, moeten de beginselen worden toegepast die de Commissie heeft geponeerd in haar advies 152/1 (gepubliceerd in het bulletin nr. 20) over de boekhoudkundige verwerking van deviezenverrichtingen.

Notas

(1) Advies 173/1 «Boekhoudrechtelijke aspecten i.v.m. de overschakeling op de euro», Bulletin nr. 37, januari 1997.

    Een voorbeeld maakt dit duidelijk : ingevolge de vervroegde vaststelling van de bilaterale wisselkoersen in mei 1998, zou de pariteit tussen de Belgische frank en de Franse frank op die datum bijvoorbeeld kunnen worden vastgesteld op 1 FRF = 6 BEF. Zelfs met die vaste verhouding zijn nog verschillende scenario's mogelijk om de tegenwaarde van de euro in Belgische frank en Franse frank te bepalen. Zo zou men (theoretisch) kunnen uitgaan van de veronderstelling dat de tegenwaarde van de euro in BEF, zoals vastgesteld op 31 december 1998 :

    • 39 BEF bedraagt. In dat geval zou de tegenwaarde in FRF gelijk moeten zijn aan 6,5 FRF om de in mei 1998 vastgestelde pariteit van 1 FRF = 6 BEF te respecteren; of

    • 21 BEF bedraagt. In deze tweede veronderstelling zou de tegenwaarde van de euro gelijk moeten zijn aan 3,5 FRF om eveneens de in mei 1998 vastgestelde bilaterale wisselkoers van 1 FRF = 6 BEF te respecteren.

    Uit die twee voorbeelden blijkt dat de bilaterale wisselkoersen niet noodzakelijk moeten worden vastgesteld op dezelfde datum als de tegenwaarden van de euro in de verschillende deelnemende munten.

(3) Veronderstelling waarvan wordt uitgegaan voor dit voorbeeld.

(4) Dergelijke informatie heeft voor de varianten A en B evenwel als dusdanig geen invloed op de boekhoudkundige verwerking.

Bron : Bulletin CBN, nr. 42, februari 1998, p. 5-10