CBN advies 172-1 - Opneming van de rekeningen van een buitenlands bijkantoor


  • A. Inleiding

    Op burgerrechtelijk en handelsrechtelijk vlak maakt een bijkantoor van een onderneming daarvan integraal deel uit. De verrichtingen, tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten van het bijkantoor zijn dus verrichtingen, tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten van de onderneming zelf.

    Bijgevolg bestaan er geen echte wederzijdse vorderingen en schulden, noch opbrengsten of kosten die voortvloeien uit verrichtingen tussen de zetel en de bijkantoren of tussen de bijkantoren onderling van eenzelfde onderneming.

    In het kader van een verantwoord beheer worden, in de praktijk, de bijkantoren boekhoudkundig echter vaak als een afzonderlijke persoon beschouwd. Daardoor kunnen, in de interne boekhouding van de onderneming, alle elementen worden geÔdentificeerd die op een welbepaald bijkantoor betrekking hebben. De bedoeling is aldus de resultaten en de beheersverantwoordelijkheden van het bijkantoor beter te kunnen identificeren.

    Vaak wordt in dergelijke gevallen een "verbindingsrekening" geopend in de boekhouding van zowel het bijkantoor als van de zetel. In de boekhouding van het bijkantoor functioneert die verbindingsrekening over het algemeen als een rekening-courant. Daaruit blijkt welke middelen de zetel ter beschikking stelt van het bijkantoor, hetzij voor de duurzame financiering van de infrastructuur, hetzij voor de courante kasbehoeften. Het is trouwens best mogelijk dat de verbindingsrekening in de boekhouding van het bijkantoor een debetsaldo vertoont. Bij de zetel wordt die verbindingsrekening gebruikt voor de mutaties die pas een definitieve bestemming krijgen bij de eerstvolgende opneming van de verrichtingen van het bijkantoor. De verbindingsrekening fungeert dus als wachtrekening.

    Op het vlak van de boekhouding en de jaarrekening stelt zich geen enkel principieel probleem (1) wanneer zetel en bijkantoor van eenzelfde onderneming in hetzelfde land zijn gevestigd.

    De situatie is anders wanneer het bijkantoor in een ander land is gevestigd dan de zetel. Zeer vaak moet het bijkantoor, overeenkomstig de wetgeving van het land van vestiging, dan niet alleen een afzonderlijke boekhouding voeren over zijn werkzaamheden aldaar, maar bovendien moet die boekhouding worden gevoerd volgens de in dat land geldende regels en in de munt van dat land. De opneming van de rekeningen van dat buitenlands bijkantoor in de boekhouding en in de boekhoudkundige synthesestaten van de betrokken onderneming kan dan ook soms voor problemen zorgen bij de herwerking en de omrekening.

    Een herwerking is meestal noodzakelijk omdat het bijkantoor de in het land van vestiging geldende verwerkingsregels, benamingen van rekeningen en waarderingsregels gebruikt, die echter afwijken van de regels en de beginselen in het land van de zetel. Deze specifieke problemen komen in dit advies niet aan bod.

    Een herwerking kan voorts ook nog noodzakelijk zijn voor het wegwerken van de wederzijdse boekhoudkundige relaties alsook van de resultaten uit verrichtingen tussen zetel en bijkantoor. Dit aspect komt aan bod in punt D. hieronder.

  • B. Opneming van de verrichtingen van het bijkantoor in de boekhouding van de zetel

    In verband met de opneming van de verrichtingen van de buitenlandse bijkantoren in de boekhouding van de zetel, zegt artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de boekhoudwet, het volgende :

    Verrichtingen van een in het buitenland gevestigd bijkantoor of centrum van werkzaamheden van een onderneming naar Belgisch recht die aldaar in een afzonderlijk stelsel van boeken en rekeningen worden ingeschreven, hoeven niet te worden opgenomen in de recapitulatieboeking bedoeld in artikel 4 van hogergenoemde wet van 17 juli 1975, wanneer de boekhouding van dit bijkantoor of centrum van werkzaamheden gevoerd wordt overeenkomstig de in dat vreemd land geldende regels of gebruiken, in voorkomend geval aangepast met het oog op de toepassing van het bepaalde in het tweede lid.

    De saldi van de rekeningen van dit bijkantoor of centrum van werkzaamheden worden ten minste halfjaarlijks in de centrale boekhouding van de onderneming opgenomen".

    Met die tekst erkent het Belgische boekhoudrecht het specifieke karakter van buitenlandse bijkantoren en verleent hen een zekere boekhoudkundige autonomie met betrekking tot de materiŽle regels voor het voeren van een boekhouding.

    De tekst bepaalt dat de betrokken rekeningen ten minste halfjaarlijks in de centrale boekhouding moeten worden opgenomen, in aansluiting op de halfjaarlijkse staat die door de kapitaalvennootschappen aan de commissarissen moet worden bezorgd. Het betreft echter een minimumregel. Om de verrichtingen van dichterbij te kunnen volgen en financieringsgebonden aspecten preciezer te kunnen identificeren, moeten de rekeningen van het bijkantoor uiteraard vaker in de centrale boekhouding worden opgenomen.

    De voornoemde tekst van het besluit vermeldt dat de saldi van de rekeningen van het bijkantoor in de centrale boekhouding worden opgenomen. Die verwoording is niet echt gelukkig gekozen, rekening houdend met het feit dat in de boekhouding alle verrichtingen en mutaties en niet alleen de saldi moeten worden opgenomen. Bijgevolg wordt voorgesteld ervan uit te gaan dat dit voorschrift geldt voor alle verrichtingen die tijdens de periode uitgaan van het bijkantoor.

  • C. Omrekening van de rekeningen van het bijkantoor in Belgische frank bij hun opneming in de boekhouding van de zetel

    Zoals gezegd, wordt de boekhouding van het buitenlands bijkantoor normaliter gevoerd in de munt van het land van vestiging en de niet-monetaire activa (en passiva) worden dus in die munt uitgedrukt. Hetzelfde geldt voor de monetaire activa en passiva (met inbegrip van de verbindingsrekening), zelfs indien die in een andere munt luiden, alsook voor de opbrengsten en kosten.

    Wanneer die rekeningen echter worden opgenomen in de boekhouding van de centrale zetel van de onderneming naar Belgisch recht, moeten zij worden omgerekend in haar munt, dus in Belgische frank.

    Nu bevat het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 geen regels voor de omrekening van de rekeningen van de buitenlandse bijkantoren in de jaarrekening van de centrale zetel, net zomin trouwens als voor de omrekening van verrichtingen, tegoeden en verbintenissen in deviezen in de jaarrekening.

    Daarom heeft de Commissie beslist om, in aansluiting op haar advies over de omrekening van verrichtingen, tegoeden en verbintenissen in deviezen (Bulletin nr. 20 van december 1987), een advies te wijden aan de omrekening van de rekeningen van buitenlandse bijkantoren, in de statutaire jaarrekening van Belgische ondernemingen.

    In de internationale doctrine genieten de monetaire/niet-monetaire methode, enerzijds, en de methode van de slotkoers/netto-investeringen, anderzijds, de grootste voorkeur voor de opneming van buitenlandse financiŽle staten.

    Artikel 42 van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen, staat het gebruik van beide methodes toe voor de consolidatie. Het verslag aan de Koning dat dit koninklijk besluit voorafgaat, onderstreept dat de eerste methode in het bijzonder geschikt is voor de dochterondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening integraal deel uitmaakt van het bedrijf van de moederonderneming, terwijl de tweede meer geschikt is wanneer de dochterondernemingen een "bepaalde autonomie" vertonen.

    In verband met de opneming van verrichtingen van buitenlandse bijkantoren in de statutaire jaarrekening, blijkt uit een studie van het Europees boekhoudforum (1) dat enkele Lid-Staten van de Europese Unie uitgaan van hetzelfde onderscheid tussen geÔntegreerde en niet-geÔntegreerde bijkantoren, met dezelfde implicaties wat de boekhoudkundige verwerking betreft, maar dat in vele Lid-Staten de monetaire/niet-monetaire methode de enige is die wordt aanvaard of toegepast in de statutaire jaarrekening.

    Het beginsel en de boekhoudkundige implicaties van beide methodes komen respectievelijk in ß 1 en in ß 2 van artikel 43 van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 aan bod.

    Hierna volgt een bondig overzicht van die methodes :

    • a) volgens de monetaire/niet-monetaire methode worden de door het bijkantoor uitgevoerde verrichtingen en de daaraan verbonden monetaire risico's verwerkt alsof het verrichtingen betrof die rechtstreeks door de zetel werden uitgevoerd.

      De niet-monetaire posten (en de daarmee samenhangende afschrijvingen en waardeverminderingen) worden geboekt tegen hun aanschaffingswaarde, omgerekend tegen de geldende omrekeningskoers op de aanschaffingsdatum.

      De monetaire posten worden tegen slotkoers omgerekend, behalve wanneer het wisselrisico specifiek is gedekt; in dat geval worden ze omgerekend tegen de koers van de dekkingsverrichting.

      De resultaten worden omgerekend hetzij tegen de geldende omrekeningskoers op de datum waarop ze zijn vastgesteld, hetzij tegen de gemiddelde koers voor de periode of de gemiddelde koers voor het boekjaar.

      Wat de boekhoudkundige verwerking van omrekeningsverschillen betreft, bepaalt het koninklijk besluit van 6 maart 1990 dat zij, in de geconsolideerde jaarrekening, in beginsel in de resultatenrekening worden geboekt, maar dat zij ook mogen worden geboekt volgens de door de consoliderende onderneming gehanteerde methoden voor de boeking van omrekeningsverschillen in haar jaarrekening.

      In verband daarmee wordt erop gewezen dat de Commissie in haar advies nr. 152/1 niet uitsluit dat een onderneming alle - zowel positieve als negatieve - omrekeningsverschillen in resultaat neemt, maar dat zij er niettemin de voorkeur aan geeft dat zij, krachtens het voorzichtigheidsbeginsel, in resultaat worden genomen indien ze een potentieel verlies inhouden, en worden overgedragen indien zij een potentiŽle winst inhouden, in zoveel afzonderlijke rekeningen als er munten zijn.

      Er wordt echter op gewezen dat de Commissie in hetzelfde advies heeft gesteld dat het voor een goed beheer aangewezen kon zijn de niet-monetaire activa (vaste activa, deelnemingen of voorraden) te dekken door passende leningen in vreemde munten, wanneer die activa - omwille van de omgeving waarin die ondernemingen actief zijn - normaliter een cash flow doen ontstaan in die vreemde munt en niet in Belgische frank.

      De onderneming is bijgevolg, in economisch opzicht, gedekt tegen monetaire schommelingen.

      Bij deze benadering worden die activa beschouwd en verwerkt als monetaire activa en worden de monetaire schommelingen van die activa gecompenseerd door de monetaire schommelingen van de daarmee verbonden financieringsmiddelen.

      De volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de lening legt de omrekeningskoers vast op dat gedeelte van de niet-monetaire activa dat niet langer gedekt is.

      Dit advies met betrekking tot de verrichtingen van de onderneming als dusdanig geldt ook voor de bijkantoren.

    • b) Volgens de methode van de slotkoers/netto-investeringen worden alle - zowel monetaire als niet-monetaire - actief- en passiefbestanddelen tegen de slotkoers omgerekend. Bijgevolg ontstaat er geen enkel omrekeningsverschil op de actief- en passief-bestanddelen, behalve met betrekking tot het eigen vermogen van de buitenlandse instelling. De omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de omrekening van de netto-positie van de buitenlandse onderneming bij de aanvang van de boekhoudperiode, tegen een andere koers dan de eerder gehanteerde koers, worden beschouwd als een wijziging in de netto-investering en worden als omrekeningsverschil toegerekend aan het eigen vermogen van de consoliderende onderneming. De omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de toepassing van de slotkoers voor de geconsolideerde balans, en van een andere koers voor de omrekening van de resultaten van de buitenlandse onderneming, worden eveneens toegerekend aan het eigen vermogen van de consoliderende onderneming.

    In verband met de opneming van de rekeningen van de buitenlandse bijkantoren in de statutaire jaarrekening van de ondernemingen naar Belgisch recht, moet volgens de Commissie de voorkeur gaan naar de monetaire/niet-monetaire methode.

    Uit de informatie die de Commissie ter zake heeft verzameld - zonder die evenwel aan een exhaustief onderzoek te hebben onderworpen - blijkt in de eerste plaats dat die methode de enige is die in de praktijk in die context wordt gebruikt door ondernemingen naar Belgisch recht, meer bepaald door ondernemingen die in het buitenland belangrijke bijkantoren hebben, met een vrij grote beheersautonomie.

    Bovendien sluit die methode het best aan bij de in advies nr. 152/1 van de Commissie aanbevolen verwerking van de verrichtingen en tegoeden, schulden en verbintenissen in deviezen, in de statutaire jaarrekening van een Belgische onderneming.

    Aangezien bepaalde omrekeningsverschillen ten slotte, volgens de logica van de methode van de slotkoers/netto-investeringen, rechtstreeks aan het eigen vermogen moeten worden toegerekend, rijst de vraag in hoever die methode verenigbaar is met het besluit van 8 oktober 1976 en met de vierde richtlijn. Geen van beide bevat immers een eigen-vermogenspost waarin dergelijke omrekeningsverschillen kunnen worden geboekt. De post "Omrekeningsverschillen" vormt geen reserve en stemt niet overeen met de manier waarop ze worden gevormd.

    In die context dient te worden onderstreept dat, in de geÔntegreerde rekeningen van de zetel, bij de berekening van de tegoeden en verbintenissen in deviezen en van de omrekeningsverschillen alsook bij hun boekhoudkundige verwerking, rekening moet worden gehouden met de totale, geÔntegreerde positie van de betrokken onderneming. Zo zal, bij voorbeeld, een haussepositie op een vreemde munt op het niveau van het bijkantoor moeten worden gecompenseerd door een baissepositie op dezelfde vreemde munt op het niveau van de zetel, of zal die positie moeten worden geneutraliseerd voor zover op het niveau van de zetel een dekkingsverrichting werd gesloten.

  • D. Interne weglatingen

    Om een getrouw beeld te geven van het bedrijf van het economisch complex dat de zetel met zijn bijkantoren vormt, mag bij de opneming van de stromen uit de verrichtingen van die bijkantoren, enkel rekening worden gehouden met de actiefbestanddelen op en de passiefbestanddelen ten aanzien van derden, alsook met de resultaten uit de verrichtingen met die derden.

    • 1. Weglating van wederzijdse vorderingen en schulden

      De vorderingen en de schulden tussen de zetel (verbindingsrekening met betrekking tot de te boeken verrichtingen) en zijn bijkantoren en tussen de bijkantoren onderling, moeten worden weggelaten.

    • 2. Weglating van de resultaten uit interne verrichtingen

      Uit de resultatenrekening worden weggelaten :

        1į de wederzijdse opbrengsten en kosten met betrekking tot verrichtingen tussen zetel en bijkantoren of tussen bijkantoren onderling;

        2į de winsten en verliezen die zijn begrepen in de waarde van een actief in de balans van de zetel of het bijkantoor dat is verworven van een ander bijkantoor van de onderneming.

  • Praktische voorbeelden (niet opgenomen)

    Voorbeeld 1: Dekking van de monetaire rekeningen

    Voorbeeld 2: Geen dekking

    Voorbeeld 3: Volledige dekking

  • Conclusies

    • 1. Het koninklijk besluit van 12 september 1983 bepaalt dat de saldi van de rekeningen van de bijkantoren ten minste halfjaarlijks in de centrale boekhouding van de onderneming moeten worden opgenomen. De Commissie stelt voor ervan uit te gaan dat dit voorschrift geldt voor alle verrichtingen en mutaties die tijdens de periode uitgaan van het bijkantoor.

      De halfjaarlijkse opneming is een minimum. Om de verrichtingen van het bijkantoor van dichterbij te kunnen volgen, moeten de rekeningen van het bijkantoor vaker worden opgenomen. Een maandelijkse opneming heeft tot gevolg dat de resultaten van het bijkantoor worden omgerekend met behulp van de gemiddelde koers van het boekjaar.

    • 2. Wanneer bij hun opneming in de rekeningen van de zetel, de rekeningen van het bijkantoor die zijn uitgedrukt in de munt van het land van vestiging worden omgerekend in Belgische frank, wordt de monetaire/niet-monetaire methode gebruikt. Deze methode lijkt in BelgiŽ het meest frequent te worden gebruikt. Zij lijkt ook het best aan te sluiten bij het Belgische boekhoudrecht. Bovendien wordt zij aanbevolen door het Europees boekhoudforum.

    • 3. De omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de koersschommelingen van de werkingsmunt van het bijkantoor ten opzichte van de Belgische frank, worden overeenkomstig de volgende beginselen in resultaat genomen :

      • afhankelijk van het geval, onder de opbrengsten of de kosten, voor de resterende afschrijvingstermijn van de immateriŽle en de materiŽle vaste activa;

      • (afhankelijk van het geval, onder de opbrengsten of de kosten) in functie van het waarderingssysteem voor de voorraden;

      • afhankelijk van het geval, onder de opbrengsten (of de kosten) bij de realisatie van de monetaire activa en passiva;

      • aan het einde van de periode, bij een mogelijk wisselverlies op de monetaire activa en passiva.

    • 4. In haar advies nr. 152/1 heeft de Commissie er de aandacht op gevestigd dat het, aangezien de kasstromen van het bijkantoor in hoofdzaak in de munt van dat bijkantoor zijn uitgedrukt en de niet-monetaire activa bijgevolg voordelen opleveren die in die munt zijn uitgedrukt (en niet in de munt van de zetel), vaak voorkomt dat de onderneming beslist het merendeel van de zowel monetaire als niet-monetaire activa met betrekking tot het bijkantoor, te financieren in de munt van dat bijkantoor.

      In dat geval is het dan ook logisch dat de niet-monetaire posten op dezelfde manier worden omgerekend als de monetaire posten; zij zullen in dat geval worden gewaardeerd op basis van de slotkoers en de omrekeningsverschillen met betrekking tot die niet-monetaire rekeningen, die voortvloeien uit de koersschommelingen van de munt van het bijkantoor ten opzichte van die van de zetel, worden verrekend met de omrekeningsverschillen uit de daaraan gekoppelde leningen.

    Notas

    (1) Voor zover, in voorkomend geval, de wederzijdse interne vorderingen en schulden alsook de resultaten van interne verrichtingen tussen zetel en bijkantoren of tussen bijkantoren onderling worden weggelaten.

    (2) Paper of the Accounting Advisory Forum - Foreign currencies translation (Editions de la Commission Europťenne, Luxembourg, 1995).

    Bron : Bulletin CBN, nr. 35, oktober 1995, p. 18-39