CBN advies 162-1 - Boekhoudkundige verwerking van het vruchtgebruik van aandelen dat onder bezwarende titel is verworven


De Commissie heeft volgend advies geformuleerd in verband met de wijze waarop een onderneming het vruchtgebruik van aandelen dat is verworven onder bezwarende titel, in haar boekhouding moet verwerken.

  • 1. Het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 bevat een uitdrukkelijke regeling voor de verwerving van materiŽle vaste activa in vruchtgebruik; zij moeten worden geboekt in de post "III.A. Terreinen en gebouwen" (zie het tweede lid van de omschrijving van deze post die is ingevoegd bij artikel 48, 3į van het koninklijk besluit van 12 september 1983). Hieruit volgt dat dergelijke vaste activa die in vruchtgebruik zijn verworven, in de boekhouding worden uitgedrukt tegen aanschaffingswaarde, na aftrek van de geboekte afschrijvingen en waardeverminderingen en dat, zo hun gebruiksduur beperkt is in de tijd - wat voor vruchtgebruik steeds het geval zal zijn - deze aanschaffingswaarde gespreid over de nuttigheids- of gebruiksduur van het goed ten laste zou worden genomen. In dit geval stemt deze duur overeen met de duur van het vruchtgebruik, of wanneer korter, met de vermoedelijke economische gebruiksduur van het goed.

  • 2. Dezelfde beginselen zijn van toepassing krachtens de bepalingen van het besluit van 1976, op de "rechten tot exploitatie van onroerende goederen, octrooien, licenties, merken en andere gelijkaardige rechten die eigendom zijn van derden ... wanneer die rechten door de onderneming ten bezwarende titel werden verworven (cf. omschrijving van post "II. ImmateriŽle vast activa").

  • 3. Voornoemd koninklijk besluit handelt niet uitdrukkelijk over de verwerving onder bezwarende titel van het vruchtgebruik op financiŽle vaste activa of aandelen die tot de vlottende activa behoren. Men mag echter aannemen dat dezelfde beginselen op analoge wijze moeten worden toegepast rekening houdend evenwel met de aard en de kenmerken van de betrokken goederen en de rechten van de vruchtgebruiker zoals zij voortvloeien uit de overeenkomst waarmee het vruchtgebruik is verkregen. Indien het vruchtgebruik slaat op aandelen beschouwd als belegging, moeten waardeverminderingen worden geboekt voor zover de aanschaffingswaarde in vruchtgebruik van de betrokken effecten hoger ligt dan de realisatiewaarden op balansdatum. Deze - derhalve niet lineaire - waardeverminderingen moeten dus tot doel hebben de boekwaarde te herleiden tot de realisatiewaarde, in casu meestal een actualisatie tegen het vigerende percentage van de geraamde toekomstige geldstromen die de vruchtgebruiker zal ontvangen zolang zijn recht geldt en die voortkomen uit het goed waarvan hij het vruchtgebruik bezit. Indien derhalve de dividendvooruitzichten verbeteren, kan de realisatiewaarde hoger liggen dan wat een lineaire "afschrijving" zou opleveren.

  • 4. Voornoemde beginselen kunnen evenwel slechts worden toegepast voor zover men inderdaad te maken heeft met een echt vruchtgebruik, in de zin van het Burgerlijk Wetboek - ongeacht dus hoe de partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd - met andere woorden, een zakelijk recht dat de vruchtgebruiker het recht verleent om het genot te hebben van zaken die iemand anders eigendom zijn, als was hij de eigenaar zelf, met de verplichting evenwel de substantie van de betrokken zaken in stand te houden.

    Voor de boekhoudkundige uitdrukking van deze verrichtingen moet uiteraard hun werkelijke draagwijdte worden nagegaan en, op grond van het voorschrift van artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek, rekening worden gehouden met de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden. Voorts moet ook rekening worden gehouden met artikel 1161 van hetzelfde Wetboek, op grond waarvan alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit. Deze benadering komt overeen met het algemeen aanvaarde boekhoudbeginsel "substance over form".

    Wanneer de meeste kenmerken die door de wet aan het vruchtgebruik worden verbonden, conventioneel zouden worden geweerd of gemodaliseerd, zodanig dat de echte juridische aard van de verrichting niet meer zou overeenstemmen met de kwalificatie die de partijen hieraan hebben gegeven, dan zou bij de boekhoudkundige verwerking rekening moeten worden gehouden met de werkelijk aanwezige juridische toestand. Zo bij voorbeeld wanneer, ingevolge de uiteindelijke overeenkomst als dusdanig of ingevolge nauw verwante overeenkomsten, het recht van vruchtgebruik zijn kenmerk van zakelijk recht - verbonden aan het goed waarop het slaat en daartoe beperkt - zou verliezen en op grond van clausules met allerhande modaliteiten en waarborgen, zou worden omgezet in een vorderingsrecht, zowel in juridisch als in economisch opzicht.

  • 5. Wanneer op grond van voornoemde beginselen zou blijken dat een verrichting uiteindelijk niet kan gekwalificeerd worden als vruchtgebruik maar als een vorderingsrecht dat neerkomt op een belegging met een vast inkomen, dan moet dit recht aan actiefzijde worden geboekt in de overeenstemmende post en moeten de bedragen die op grond van dit recht worden ontvangen, in hoofdsom en zonder tussenboeking in de resultatenrekening, worden toegerekend aan de prijs betaald voor de verwerving van dit recht.

Bron : Bulletin CBN, nr. 25, juni 1990, p. 30-32