CBN advies 153-1 - Werkende vennoten


Professionele burgerlijke vennootschappen opgericht met toepassing van artikel 212 Venn. W., zijn wegens hun commerciŽle rechtsvorm onderworpen aan de boekhoudwetgeving (wet 17 juli 1975, artikel 1, eerste lid, 2į). In een dergelijke vennootschap (opgericht ter uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor, van accountant, van advocaat, enz.) Zal de personeelsstructuur vaak biezondere kenmerken vertonen. Inderdaad, in de regel zullen al haar bestuurders, zaakvoerders ťn actieve vennoten, door de vennootschap bezoldigde beroepsbeoefenaars zijn met niettemin een sociaalrechtelijk statuut van zelfstandige. Ook de medewerkers die gerechtigd zijn het betrokken (vrij) beroep uit te oefenen zullen, hoewel bezoldigd door de vennootschap, in de regel een sociaalrechtelijk statuut van zelfstandige werknemer bezitten.

Ten aanzien van deze toestand zijn tweeŽrlei vragen gerezen waarover het advies van de Commissie werd ingewonnen.

Vooreerst heeft de Commissie geadviseerd de aan actieve vennoten uitbetaalde bezoldigingen boekhoudkundig als personeelskosten te behandelen (rekening 62 van het algemeen rekeningenstelsel). Naar haar oordeel is de omstandigheid dat de vennoten van een professionele vennootschap hun beroepsactiviteit in naam en voor rekening van de vennootschap uitoefenen, en derhalve ten aanzien van de vennootschap niet als externe dienstenverstrekkers optreden, van wezenlijk belang. Dat de betrokken vennoten voor de toepassing van de sociale wetgeving onder het statuut van zelfstandige vallen is terzake niet relevant en zou bezwaarlijk kunnen worden ingeroepen om de hun uitbetaalde bezoldigingen sub rekening 61 "Diensten en diverse goederen" te boeken.

In dezelfde gedachtengang heeft de Commissie ook geadviseerd de betrokken vennoten uitdrukkelijk te vermelden, zo mogelijk onder een passende benaming, in toelichting XII (code 9094, volledig jaarrekeningschema) of VI (code 9090, verkort jaarrekeningschema) met betrekking tot het gemiddeld personeelsbestand. Deze vermelding moet een betere benadering mogelijk maken van sommige grootheden die per in de onderneming werkzame persoon worden berekend (zoals de toegevoegde waarde per personeelslid).

Het is ook duidelijk dat dit advies niet enkel geldt voor de werkende vennoten van professionele burgerlijke vennootschappen - waar het fenomeen wellicht het sterkst tot uiting komt - doch ook voor werkende vennoten van andere vennootschappen.

Bron : Bulletin CBN, nr. 21, januari 1988, p. 23