CBN advies 148-4 - Boeking van de prorata van gelopen interest op obligaties en kasbons


Krachtens de boekhoudwetgeving moeten de kosten en opbrengsten steeds worden toegerekend aan het boekjaar waarop zij betrekking hebben. Artikel 19, vierde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 bepaalt immers dat "er rekening moet worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of gend, ...".

Dit beginsel krijgt in het algemeen rekeningenstelsel gestalte met volgende overlopende rekeningen :

    490 Over te dragen kosten

    491 Verkregen opbrengsten

    492 Toe te rekenen kosten

    493 Over te dragen opbrengsten

die, naar gelang van het geval, op het actief of het passief in de balans moeten worden geboekt in de "overlopende rekeningen".

Deze overlopende rekeningen worden in hoofdstuk III in de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 op de jaarrekening van de ondernemingen als volgt gedefinieerd :

  • Over te dragen kosten : De prorata van kosten die werden gemaakt tijdens het boekjaar of tijdens een vorig boekjaar maar die ten laste van n of meerdere volgende boekjaren moeten worden gebracht.

  • Verworven opbrengsten : De prorata van opbrengsten die slechts in de loop van een volgend boekjaar zullen worden gend maar die betrekking hebben op een verstreken boekjaar.

  • Toe te rekenen kosten : De prorata van kosten die pas in een later boekjaar zullen worden betaald maar die betrekking hebben op een verstreken boekjaar.

  • Over te dragen opbrengsten : De prorata van opbrengsten die in de loop van het boekjaar of van een vorig boekjaar zijn gend, doch die betrekking hebben op een later boekjaar.

Bijgevolg moeten de ondernemingen voor rentedragende tegoeden en schulden, de prorata van gelopen interesten, die op de vervaldag betaalbaar zijn, op zijn minst op de balansdatum in resultaat nemen en moeten zij de niet-gelopen prorata van vooraf betaalde interesten overdragen.

Zoniet zou dit leiden tot anticipatie of overdracht van kosten of opbrengsten wat de getrouwheid van de jaarrekening sterk in het gedrang zou brengen.

Op grond van hetzelfde beginsel dat opbrengsten en kosten op correcte wijze moeten worden toegerekend aan het boekjaar waarop zij betrekking hebben, moet met toepassing van de voorschriften van het voornoemde besluit van 8 oktober 1976, bij verkoop of verwerving van rentedragende effecten, de prorata van gelopen interesten worden geboekt als een bedrag van te regulariseren opbrengsten en kosten.

Deze interest prorata in de aanschaffingsprijs opnemen, zou een vertekend beeld geven van het resultaat van het jaar van de verwerving en het jaar van de overdracht en leiden tot onverantwoorde toerekeningen bij wijze van waardeverminderingen. Deze interest prorata opnemen in de realisatieprijs zou leiden tot de verkeerde voorstelling van een rentevergoeding als een realisatieresultaat.

De Commissie is van oordeel dat, krachtens het koninklijk besluit van 8 oktober 1976,

  • bij verwerving van rentedragende effecten die op vervaldag moeten worden betaald, de prorata van de aan de cedent uitgekeerde intresten moet worden verwerkt als een regularisering van inkomsten; deze prorata mag niet worden opgenomen in de aanschaffingswaarde van de betrokken effecten;

  • bij overdracht van rentedragende effecten die op vervaldag moeten worden betaald, de prorata van de door de cessionaris ontvangen intresten als dusdanig moet worden geboekt in de resultatenrekening; deze prorata mag niet worden opgenomen in de realisatieprijs om aldus in een realisatieresultaat te worden getransformeerd.

Deze prorata moet bruto worden geboekt, zonder aftrek van roerende voorheffing.

Voornoemde regels zijn enkel van toepassing op activa en passiva die een vaste rente opleveren, rente die geacht wordt prorata temporis te zijn verkregen overeenkomstig het beginsel van artikel 586 van het Burgerlijk Wetboek.

Zij worden toegepast, ongeacht hoe de intresten worden gend of toegekend (jaarlijkse coupons, gekapitaliseerde "zero-bonds", via disconto ontvangen interesten) en ongeacht hoe de effecten worden genoteerd (notering "te vergoeden interesten" of "in de koers begrepen interesten").

Volgend schema geeft een voorbeeld van voornoemde beginselen (1) :

Voorbeeld 1 - Jaarlijks te betalen intrest(2)

    Overdracht/verwerving van obligaties met een nominale waarde van 1 000 000, met een nominale rentevoet van 8 % en een koers van 102 %, intrest niet inbegrepen.

    • Vervaldatum voor de intrest, 31.03

    • Datum van de overdracht, 30.09.1990

    • Prorata van bruto gelopen intrest

      • van 31.03.1988 tot 30.09.1988 40 000

      • van 30.09.1988 tot 31.12.1988 20 000

  • Voor de verkoper

    (In de veronderstelling dat de boekwaarde van de obligaties de nominale waarde was, nl. 1 000 000).

    55 Kredietinstellingen

    6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

    1 050 000

    10 000 (3)


     

    aan 52 Vastrentende effecten

    751 Opbrengsten uit vlottende activa

    752 Meerwaarden op de realisatie van vlottende activa

    1 000 000

    40 000

    20 000

  • Voor de koper

    • a) Bij de verwerving 30.09.1990

      52 Vastrentende effecten

      751 Opbrengsten uit vlottende activa

      1 020 000

      40 000


       

      aan 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

      55 Kredietinstellingen

      10 000

      1 050 000

    • b) Op het einde van het boekjaar 31.12.1990

      491 Verkregen opbrengsten

      60 000

       

      .aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa

      60 000

       

      6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

      15 000

       
       

      aan 492 Toe te rekenen kosten

      15 000

    • c) Bij de aanvang van het volgende boekjaar 1.1.1991

      751 Opbrengsten uit vlottende activa

      60 000

       

      aan 491 Verkregen opbrengsten

      60 000

       

      492 Toe te rekenen kosten

      15 000

       

      aan 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

      15 000

    • d) Op de vervaldag van de intrest 31.03.1991

      55 Kredietinstellingen

      6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

      60 000

      20 000

        aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa

      80000

Voorbeeld 2 - Kapitalisatiebon of zero-bond

    Hypothese : Een kapitalisatiebon wordt uitgegeven en er wordt aanvankelijk op ingeschreven (31.12.1986) voor 1 000 000, terugbetaalbaar na 5 jaar tegen 1 469 300 F. Het verschil tussen de inschrijvingsprijs en de terugbetalingsprijs stemt overeen met een rentevoet van 8 % en met een kapitalisatievoet van 8 %.

    Op grond hiervan wordt de prorata van de gekapitaliseerde rente op :

      31.12.1987 : 80 000

      31.12.1988 : 166 400

      31.12.1989 : 259 700

      31.12.1990 : 360 500

      31.12.1991 : 469 300

    De kapitalisatiebon wordt op 31 december 1989 aan een andere vennootschap overgedragen voor een totaalprijs van 1 205 000 F.

  • A. BOEKINGEN BIJ DE OORSPRONKELIJKE INSCHRIJVER

    a) Bij de verwerving

    52 Vastrentende effecten

    1 000 000

      aan 55 Kredietinstellingen

    1 000 000

    b) Elk jaar op balansdatum (of telkens na een kortere periode), boeking van de gelopen prorata

    491 Verkregen opbrengsten (4)

    6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

    80 000

    20 000

      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa

    452 Te betalen belastingen en taksen

    80 000

    20 000

    c) Overdracht van de kapitalisatiebon

    - Op het ogenblik van de overdracht is de boekhoudkundige situatie als volgt :

    52 Vastrentende effecten

    491 Verkregen opbrengsten

    452 Te betalen belastingen en taksen

    1 000 000

    259 700

    64 925

    55 Kredietinstellingen

    452 Te betalen belastingen en taksen

    1 205 000

    64 925

      aan 52 Vastrentende effecten

    491 Verkregen opbrengsten

    752 Meerwaarden op de realisatie van vlottende activa

    1 000 000

    259 700

    10 225

  • B. BOEKINGEN BIJ DE KOPER

    a) Bij de verwerving

    52 Vastrentende effecten

    491 Verkregen opbrengsten

    1 010 225

    259 700

      aan 452 Te betalen belastingen en taksen

    55 Kredietinstellingen

    64 925

    1 205 000

    b) Elk jaar

    - boeking van de gelopen prorata :

    491 Verkregen opbrengsten

    6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen

    100 800

    20 200

      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa

    452 Te betalen belastingen en taksen

    100 800

    20 200

    - boeking van eventuele waardeverminderingen :

    651 Waardeverminderingen op vlottende activa (schenkingen)

    5 000

      aan 529 Geboekte waardeverminderingen voor vastrentende

    effecten

    5 000

    c) Op vervaldatum

    Op de vervaldatum en na toekenning van de prorata van het laatste jaar, is de situatie als volgt :

    52 Vastrentende effecten

    491 Verkregen opbrengsten

    452 Te betalen belastingen en taksen

    1 005 225

    469 300

    117 325

    Terugbetaling :

    55 Kredietinstellingen

    452 Te betalen belastingen en taksen

    652 Minderwaarden op de realisatie van vlottende activa

    1 351 975

    117 325

    5 225

      aan 52 Vastrentende effecten

    491 Verkregen opbrengsten

    1 005 225

    469 300

Notas

(1) Over de boeking van de koop- en verkoopkosten wordt later een algemeen advies uitgebracht.

(2) Een later advies zal handelen over de inresultaatneming van het rendement van vastrentende effecten, op grond van de actuarile rentevoet, daarbij rekening houdend met het verschil tussen de aanschaffingsprijs en de terugbetalingswaarde.

(3) Roerende voorheffing van 25 %.

(4) Op 31 december 1987; op 31 december 1988 en 1989 zullen de bedragen respectievelijk 86 400 en 93 300 zijn.

Bron : Bulletin CBN, nr. 25, juni 1990, p. 16-23