CBN advies 147-2 - Inresultaatneming van het actuariŽle rendement van vastrentende effecten


Het koninklijk besluit van 30 december 1991 heeft de wijze waarop het rendement van vastrentende effecten in resultaat moet worden genomen, grondig gewijzigd (1). In zijn gewijzigde vorm bepaalt artikel 27bis van het besluit van 8 oktober 1976 inderdaad dat de opbrengst van effecten verworven vanaf 1 januari 1992 niet langer in resultaat wordt genomen op basis van hun nominale rendement, maar op basis van hun actuariŽle rendement bij aankoop. Dit actuariŽle rendement vloeit voort uit het nominale rendement, enerzijds, en het verschil, op de vervaldag, tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde van het effect in kwestie, anderzijds. Dit verschil maakt integraal deel uit van het rendement en wordt op geactualiseerde basis gespreid over de resterende looptijd van het effect. Voor elk boekjaar wordt de desbetreffende fractie van dit verschil in resultaat genomen als rente. De tegenwaarde wordt, naargelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde. In verhouding tot de aldus bepaalde boekwaarde worden dan de te boeken of terug te nemen waardeverminderingen berekend.

Deze regel wordt evenwel op twee punten versoepeld :

  • 1į Het actuariŽle rendement en bijgevolg de aanschaffingswaarde hoeven niet te worden aangepast wanneer het resultaat van de onderneming niet noemenswaardig wordt beÔnvloed in vergelijking met de methode waarbij de aanschaffingsprijs wordt gehandhaafd en enkel het nominale rendement in resultaat wordt genomen;

  • 2į het verschil tussen aanschaffingswaarde en terugbetalingswaarde mag ook op lineaire in plaats van op geactualiseerde basis pro rata temporis in resultaat worden opgenomen.

Deze wijziging wordt toegelicht en verantwoord in het Verslag aan de Koning dat het bovenvermelde besluit van 30 december 1991 voorafgaat, waarnaar dan ook wordt verwezen.

Het ontwerp van besluit werd onderzocht door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en daar werd een voorbeeld gegeven van hoe de nieuwe regeling op een jaarrekening moet worden toegepast. Het leek nuttig dit voorbeeld te publiceren en toe te lichten.

Op 20 september 1991 boden volgende twee Staatsleningen, met een vergelijkbare resterende looptijd, hetzelfde actuariŽle rendement bij aankoop: 9,44 % (2) :

  • de lening 86/94, code 227 - rente 7,60 % betaalbaar op 29.09 verworven tegen 95,34 %

  • de lening 85/94, code 224 - rente 11,25 % betaalbaar op 14.05 verworven tegen 103,96 %

Onder de vroegere regeling zouden beide leningen, met financieel hetzelfde actuariŽle rendement, zeer uiteenlopende boekhoudkundige resultaten hebben opgeleverd voor de onderneming die ze aankocht.

Voor de eerste lening werd in de resultatenrekening een jaarlijkse rente van 7,60 % geboekt en - tenzij bij vervroegde realisatie of daling van de beursnotering onder de aanschaffingswaarde - een meerwaarde van 4,65 % op het ogenblik van de terugbetaling.

Voor de tweede lening werd in de resultatenrekening een jaarlijkse rente van 11,25 % geboekt alsook een waardevermindering of een realisatieverlies ten belope van 3,96 %, waarvan de tenlasteneming schommelde naargelang van de evolutie van de beursnotering.

In de nieuwe regeling uit het besluit van 30 december 1991 zouden beide leningen, indien aangekocht na 1 januari 1992, in de jaarrekening van de onderneming identieke resultaten opleveren.

Cijfervoorbeeld 1 "Inresultaatneming van het actuariŽle rendement van vastrentende effecten" : cijfervoorbeeld niet opgenomen.

Cijfervoorbeeld 2 "Inresultaatneming van het actuariŽle rendement van vastrentende effecten" : cijfervoorbeeld niet opgenomen.

Notas

(1) De wijzigingen aangebracht door art. 4 van het K.B. van 30 december 1991 sluiten aan bij noot 2 in het advies 148/4, Bull. CBN nr. 25.

(2) zonder rekening te houden met de aanschaffingskosten.

Bron : Bulletin CBN, nr. 27, februari 1992, p. 21-26