CBN advies 146-1 - Belastingschulden - Sociale schulden : verwijlinteresten


Als een schuld tegenover een belastingbestuur of de R.S.Z. niet op de vervaldag is betaald, is de debiteur van rechtswege verwijlinteresten verschuldigd die worden berekend volgens de wettelijke bepaalde modaliteiten en tarieven (1).

In verband met deze verwijlintresten werden twee vragen gesteld.

    >

  • I. Een eerste vraag was of de gelopen interesten - tot de sluitingsdatum van het boekjaar - ten laste komen van de resultatenrekening van het

    boekjaar en als belastingschuld of sociale schuld op het passief moeten worden geboekt, zelfs indien daarover geen bericht, kennisgeving noch aanslag vanwege het bestuur werd ontvangen. Aangezien verwijlinteresten van rechtswege krachtens de wet zelf verschuldigd zijn en dus een vaststaande schuld vormen, moeten volgens de Commissie, in toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, de interesten voor de periode van het boekjaar waarin zij verschuldigd zijn, pro rata temporis aan dat boekjaar worden toegerekend. Deze interesten komen onder de passiefrubriek "Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten" (Rubriek IX, E). Op die manier worden derden via de balans niet enkel op de hoogte gebracht van het bestaan van een dergelijke (interest-) schuld, maar ook van het feit dat deze normaliter wettelijk bevoorrecht is, aangezien het gaat om een belastingschuld of een sociale schuld. Een onderneming kan soms moeilijk de grootte van dergelijke interestlast berekenen als zij daarover geen stuk heeft ontvangen vanwege het bestuur. Dit is voornamelijk het geval wanneer verschillende boekjaren en verrichtingen samenkomen en dooreenlopen. In soortgelijke gevallen moet het interestbedrag dan ook worden geraamd.

  • II. Een tweede vraag handelde over de toevoeging van de gelopen interesten aan het bedrag van de vervallen schulden tegenover de R.S.Z. en de belastingbesturen. Bedoelde cijfers moeten worden vermeld in rubriek X, C, 1 van de toelichting (nr. V, C van de toelichting bij het schema in verkorte vorm) bij de jaarrekening. In verband met deze vraag zij er vooreerst op gewezen dat deze vermelding in de toelichting niet bedoeld is om derden op de hoogte te brengen van het bestaan van een (bevoorrechte) belastingschuld of sociale schuld - deze informatie blijkt reeds uit de balans - maar wel om de abnormale (nl. vervaldagoverschrijdende) termijnen die door de belastingbesturen of de R.S.Z. voor belastingschulden of sociale zekerheidschulden onder bescherming van hun voorrechten worden toegestaan of geduld, duidelijk te laten blijken.

    In verband met dit probleem wenst de Commissie twee gevallen te onderscheiden.

    • a) Op het einde van het boekjaar blijft de onderneming hoofdsom en interesten verschuldigd, maar voor deze interesten werd geen eisbaarheidsdatum betekend.

      In dit geval is enkel de hoofdsom vervallen en worden hierop verwijlinteresten geheven. De interesten zelf zijn niet vervallen en hoeven dus niet aan de cijfers in de toelichting te worden toegevoegd.

    • b) De onderneming die hoofdsom en interesten verschuldigd was, heeft vr het einde van het boekjaar een betaling in mindering verricht, die echter niet volstond om de schuld in hoofdsom en interesten volledig aan te zuiveren.

      In dit geval wordt deze betaling bij voorrang toegerekend aan de interesten, zoals voorgeschreven door het Burgerlijk Wetboek. Als gevolg daarvan is de overblijvende schuld een fractie van de schuld in hoofdsom. Deze laatste is per definitie vervallen. Uit dien hoofde moet zij dan ook in de toelichting worden vermeld. Aangezien de interesten bij voorrang werden betaald hoeven zij niet in de toelichting worden vermeld.

      Het probleem inzake vaststelling van het interestbedrag (cf. hoger) heeft in casu onvermijdelijk gevolgen voor de bepaling van de nog verschuldigde hoofdsom na toerekening van het betaalde bedrag. Derhalve zal de nog verschuldigde hoofdsom moeten worden geraamd.

Nota

(1) De bevoegdheid die artikel 307 van het wetboek op de inkomstenbelastingen verleent aan de Directeur van het belastingbestuur om, in bijzondere gevallen, vrijstelling van verwijlinteresten toe te staan, wijzigt niets aan het verschuldigd zijn van de interest.

Bron : Bulletin CBN, nr. 15, oktober 1984, p. 19-20