CBN advies 144-1 - Roerende leasing - Definitie


Het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot wijziging van het jaarrekeningbesluit van 8 oktober 1976 heeft de omschrijving van rubriek III, D van de materiële vaste activa "Leasing en soortgelijke rechten" gewijzigd.

Aan de Commissie werden een viertal, naar verluidt frequent voorkomende gevallen van "leasingovereenkomsten" waarbij evenwel twijfel is gerezen over de juiste kwalificatie van de overeenkomst in boekhoudkundig opzicht, ter advies voorgelegd.

Deze vier gevallen van roerende leasing worden hierna bondig weergegeven.

  • Geval A

    De volgens de overeenkomst te storten termijnen laten de leasinggever toe 89 % van het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal weder samen te stellen. De in de overeenkomst opgenomen koopoptie wordt bepaald op 16 % van het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal.

  • Geval B

    De volgens de overeenkomst te storten termijnen laten de leasinggever toe 50 % van het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal weder samen te stellen. De in de overeenkomst opgenomen koopoptie wordt bepaald op 55 % van het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal.

  • Geval C

    De overeenkomst bevat géén aankoopoptie voor de leasingnemer. Zij bevat echter een bepaling waardoor de leasinggever de leasingnemer kan verplichten, zo hij dat wenst, bij het einde van het contract het geleasde goed aan te kopen.

  • Geval D

    De overeenkomst bevat géén aankoopoptie voor de leasingnemer. Zij bevat echter een bepaling waardoor de leasingnemer het contract vervroegd kan opzeggen op voorwaarde dat het geleasde goed door de leasingnemer (op de tweedehandse markt) wordt verkocht en dat de leasingnemer de leasinggever vergoedt voor het nog niet afbetaalde kapitaalbestanddeel.

De Commissie heeft vooreerst benadrukt dat haar advies steunt op de haar medegedeelde - summiere - beschrijving van de betrokken overeenkomsten, maar dat bij hun uiteindelijke kwalificatie uiteraard met al hun kenmerken moet worden rekening gehouden.

Naar het oordeel van de Commissie moet in de 4 gevallen worden besloten dat uit de betrokken overeenkomsten gebruiksrechten voortvloeien die in de jaarrekening van de leasingnemer onder rubriek III, D van de materiële vaste activa moeten worden opgenomen. Haar advies is als volgt verantwoord.

In de gevallen A & B is het duidelijk dat de overeenkomst aan de door het koninklijk besluit gestelde voorwaarden beantwoordt om - boekhoudkundig - als leasing te worden gedefinieerd door de te storten termijnen verhoogd met het voor het lichten van de koopoptie bepaalde bedrag, de gever in staat stellen het geïnvesteerde kapitaal volledig weder samen te stellen.

In geval B blijft weliswaar een belangrijk deel van het risico wegen op de leasinggever. Economisch moet er echter worden van uitgegaan dat zulke overeenkomst slechts zal worden afgesloten wanneer er praktisch zekerheid bestaat - op basis van de feitelijke gegevens - dat de nemer de optie effectief zal lichten.

In geval C beschikt de leasingnemer over geen koopoptie doch heeft hij een eenzijdige aankoopverplichting aangegaan. Het is duidelijk dat de leasingnemer daardoor - meer nog dan wanneer hij over een koopoptie beschikt - alle risico's van de investering draagt.

In geval D heeft de leasinggever de garantie dat het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal volledig kan worden wedersamengesteld. Bovendien heeft de leasingnemer indirect de mogelijkheid om toch het goed te kopen.

In de gevallen C en D kan een letterlijke lezing van de definitie van leasing opgenomen in het jaarrekeningbesluit twijfel doen rijzen over de juiste kwalificatie van dergelijke verrichtingen. Inderdaad zowel in C als in D ontbreekt de koopoptie en in D is - schijnbaar - niet voldaan aan het vereiste van een niet-opzegbaar contract.

Artikel 8 van het besluit bepaalt evenwel dat activa of passiva die tot meer dan één rubriek of onderrubriek van de balans kunnen behoren, moeten worden ingeschreven onder die post welke ten opzichte van het voorschrift van artikel 3 het meest is aangewezen.

Houdt men rekening met deze bepaling en met de bedrijfseconomische analyse van de betrokken verrichtingen dan spreekt het vanzelf dat de boekhoudkundige behandeling van deze verrichtingen als leasing ongetwijfeld beter aan de fundamentele eis van het getrouwe beeld beantwoordt dan een behandeling als huurcontract.

Bron : Bulletin CBN, nr. 15, oktober 1984, p. 16-17