CBN advies 143-1 - Invloed van een gerechtelijk akkoord op de schulden en vorderingen


Het gerechtelijk akkoord is een collectieve overeenkomst, aangaande de goederen, gesloten onder toezicht en met toestemming van de rechtbank, tussen een schuldenaar-handelaar, ongelukkig en te goeder trouw, die heeft opgehouden te betalen en wiens krediet wankelt, en zijn schuldeisers, die krachtens de wet bij meerderheid beslissen, met het doel het faillissement te voorkomen en het verval van rechten, dat er mede gepaard gaat, te vermijden (1). Essentieel is bijgevolg dat het gerechtelijk akkoord ertoe strekt een faillissement te voorkomen. Daartoe wordt meestal aan de schuldenaar, in het raam van het gerechtelijk akkoord, door al of een deel van de schuldeisers, uitstel van betaling verleend en/of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van schuld toegestaan.

Wanneer het gerechtelijk akkoord een kwijtschelding van schulden bevat, dan is deze kwijtschelding, krachtens een bepaling van openbare orde (artikel 34 van de geco÷rdineerde wetten op het gerechtelijk akkoord), gebonden aan een ontbindende voorwaarde, met name de terugkeer van de schuldenaar "in beteren doen" (2). Deze voorwaarde is vervuld zodra - doch slechts voor zover - de schuldenaar de schuld kan betalen zonder de leefbaarheid van zijn bedrijf in gevaar te brengen. Alleen in deze hypothese is de schuldenaar verplicht het saldo van zijn schuld te voldoen.

Aan de Commissie werd de vraag gesteld hoe zulke kwijtschelding van schuld onder ontbindende voorwaarde van "terugkeer in beteren doen" in de jaarrekening van de schuldenaar, respectievelijk van de schuldeiser, tot uiting moet gebracht worden.

  • 1. Bij de schuldenaar

    Er moet worden van uitgegaan dat het gerechtelijk akkoord fundamenteel - dat is juist het beoogde doel - de patrimoniale en financiŰle toestand van de schuldenaar wijzigt. Deze wijziging en de nieuwe rechtsverhoudingen met derden die er uit voortvloeien moeten noodzakelijkerwijze weergegeven worden in de boekhouding en in de jaarrekening van de debiteur. Wegens de verscheidenheid van de mogelijke concordataire voorstellen moet in elk afzonderlijk geval de werkelijke draagwijdte van het akkoord onderzocht worden en in de boekhouding en de jaarrekening worden vertaald. Met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 moet de draagwijdte van het akkoord in de toelichting worden uitgelegd.

    Wanneer het gerechtelijk akkoord voorziet in een kwijtschelding van al of een deel van de schulden, dan betekent zulks dat, ook al is deze kwijtschelding gebonden aan een ontbindende voorwaarde, deze schuld niet langer het vermogen van de debiteur effectief bezwaart en derhalve door de schuldeiser niet kan teruggevorderd worden, zolang de voorwaarde niet is vervuld. De betrokken schuld moet van het passief van de debiteur worden afgeboekt. De vermogensaangroei waarvan deze afboeking de uitdrukking is, is de weergave in de patrimoniale staat van de overeengekomen afstand van schuldvordering. Deze vermogensmutatie moet in de resultatenrekening tot uiting worden gebracht onder een afzonderlijke post van de uitzonderlijke resultaten; de aard van deze opbrengst wordt in de toelichting gecommentarieerd.

    Rekening houdend met het voorwaardelijke karakter van de afstand van schuldvordering moet met toepassing van artikel 7 van de wet van 17 juli 1975 en van artikel 14 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 in de boekhouding van de schuldenaar en in de toelichting melding gemaakt worden van zijn verplichting tot volledige betaling zodra hij "in beteren doen verkeert".

    Bij vervulling van de voorwaarde zullen de tegenovergestelde boekingen worden verricht. De terug effectief geworden latente schuld zal weer op het passief worden opgevoerd via een afzonderlijke post onder de uitzonderlijke kosten.

    Wordt het concordaat herroepen (3) dan heeft zulks terugwerkende kracht tot de datum van het gerechtelijk akkoord. De verrichte boekingen moeten ook in dit geval worden tegengeboekt.

    Deze tegenboekingen zullen plaatsgrijpen op het ogenblik waarop de voorwaarde is vervuld of het gerechtelijk akkoord herroepen wordt.

  • 2 Bij de schuldeiser

    De totstandkoming van een gerechtelijk akkoord zal doorgaans bij de schuldeiser, behoudens indien zijn schuldvordering voldoende gewaarborgd is, aanleiding geven tot het boeken van waardeverminderingen.

    Wanneer hij, in het raam van het concordaat, geheel of gedeeltelijk afstand heeft moeten doen van zijn schuldvordering - weze het onder de ontbindende voorwaarde van terugkeer "tot beteren doen" - dan moet hij ten belope van hetzelfde bedrag (4) niet alleen een waardevermindering boeken, maar ook de vordering waarvan hij afstand heeft gedaan uit zijn actief uitboeken (5).

    De verrichte waardevermindering zal vanzelfsprekend via de resultatenrekening ten laste worden genomen.

    Het recht van de schuldeiser volledige betaling te eisen van zijn latente vordering zodra bij de schuldenaar de ontbindende voorwaarde van de opschorting is vervuld, wordt in de inventaris opgenomen en in de boekhouding in de klasse 0 vermeld. Bij vervulling van de voorwaarde neemt de kwijtschelding een einde, wordt de vordering weer onder de activa opgenomen en wordt de geboekte waardevermindering teruggenomen.

    Wordt het concordaat herroepen dan zal in de regel de vordering terug onder de activa worden geboekt met het oog op haar uitvoering of de aangifte ervan in het raam van een faillissementsprocedure. In dergelijk geval zal de geboekte waardevermindering doorgaans behouden blijven.

De hierboven beschreven beginselen vinden ook toepassing wanneer de afstand van schuldvordering onder ontbindende voorwaarde, buiten het raam van een gerechtelijk akkoord, uit een bilaterale overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser voortvloeit.

Notas

(1) FREDERICQ, S., Handboek van Belgisch handelsrecht, III, Brussel, 1980, nr. 1884, blz. 467.

(2) VAN RYN, J., Principes du droit commercial, IV, Brussel, 1965, nr. 2904, blz. 404. TOURNAY, M., Le concordat judiciaire, Les Novelles, Brussel, 1966, nr. 5, blz. 292.

(3) Cf. artikelen 35 tot 37 van de geco÷rdineerde wetten op het gerechtelijk akkoord.

(4) Indien de schuldvordering gedeeltelijk bestaat uit aangerekende B.T.W. op geleverde goederen en diensten, zal de waardevermindering geen betrekking hebben op het bedrag van de B.T.W. waarvan de terugbetaling kan bekomen worden van het B.T.W.- bestuur.

(5) Over de wijze en het ogenblik waarop in het algemeen een vermogensbestanddeel mag of moet worden uitgeboekt, zal later een afzonderlijk advies worden bekend gemaakt.

Bron : Bulletin CBN, nr. 13, januari 1984, p. 25-27