CBN advies 137-7 - Interesten op vorderingen


Gelet op talrijke vragen over de boekhoudkundige verwerking van intresten op handels- en financiŽle vorderingen heeft de Commissie volgend advies uitgebracht.

Er weze vooreerst aan herinnerd dat intresten - burgerlijke vruchten genoemd in artikel 584 van het Burgerlijk Wetboek - overeenkomstig artikel 586 van het Burgerlijk Wetboek worden geacht van dag tot dag te worden verkregen.

  • I. De debiteur in solvent

    • A - FinanciŽle, per definitie rentegevende vorderingen

      Zodra de intrest is verschuldigd, als vergoeding van de geldschieter of als sanctie omdat de debiteur zijn verplichtingen niet tijdig nakomt, moet die intrest in de resultatenrekening worden geboekt, overeenkomstig artikel 19, 4de lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976.

    • B - Handelsvorderingen

      Handelsvorderingen - met name vorderingen uit de overdracht van goederen of uit dienstprestaties - en andere vorderingen geven in de regel slechts rente als de debiteur zijn verplichtingen niet tijdig nakomt.

      Meestal zijn deze laattijdigheids- of verwijlintresten contractueel bedongen (strafbeding) en beginnen zij van rechtswege te lopen vanaf een bepaalde datum tegen een vaste of variabele referentierentevoet (bijvoorbeeld de discontovoet van de Nationale Bank van BelgiŽ).

      Is er geen contractueel beding, dan begint de intrest, overeenkomstig artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, pas te lopen bij ingebrekestelling van de debiteur wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen. In dit geval is de wettelijke rentevoet van toepassing.

      In principe moeten in een en ander geval de verwijlintresten worden geboekt vanaf het ogenblik dat zij beginnen te lopen.

      In de praktijk evenwel wordt, om verschillende redenen, vaak een extracontractuele betalingstermijn toegezegd en/of worden de verwijlintresten niet opgeŽist, in weerwil van het strafbeding.

      Gelet op deze praktijk kan het volstaan enkel de intrest te boeken die schriftelijk wordt opgeŽist (debetnota). Deze oplossing maakt een harmonische boekhoudkundige verwerking van de intresten mogelijk, ongeacht of ze al dan niet contractueel bedongen werden.

      Werd de rentevordering geboekt, dan wordt de niet-inning van deze vordering uitgedrukt door boeking van een waardevermindering of door vaststelling van een minderwaarde op de realisatie van vorderingen.

  • II. De debiteur is dubieus

    Bestaat er, gezien de toestand van de debiteur, onzekerheid omtrent de effectieve inning van onbetwistbaar verschuldigde intresten, dan moeten en mogen deze intresten, krachtens artikel 19, 4de lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, niet worden beschouwd als verworven opbrengsten die als dusdanig in de resultatenrekening worden geboekt.

    Dat zal onder meer het geval zijn wanneer op de vordering in hoofdsom een waardevermindering is toegepast, overeenkomstig artikel 31, 4de lid van voornoemd besluit.

    In dit geval worden deze intresten geboekt als opbrengsten op het ogenblik waarop hun effectieve inning opnieuw zeker wordt.

    Bron : Bulletin CBN, nr. 22, juni 1988, p. 14-15