CBN advies 128-5 - Vrijstelling investeringsreserves - Controle op de toepassing van het boekhoudrecht


De artikelen 23bis en 107bis van het W.I.B., zoals ingevoerd door de herstelwet van 10 februari 1981 en gewijzigd door de programmawet van

2 juli 1981, voorzien in de mogelijkheid om een belastingvrije investeringsreserve aan te leggen.

In § 5 van artikel 23bis wordt echter voorzien dat van deze gunstmaatregel uitgesloten worden, de belastingplichtigen die de verplichtingen opgelegd door de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en door de ter uitvoering van die wet genomen besluiten niet naleven.

Graag vernam ik van de geachte Minister (1) of zijn administratie de toepassing van het boekhoudrecht streng zal controleren om eventueel de vrijstelling van de investeringsreserves te weigeren.

In concreto denk ik aan de verkeerde toepassing van bijvoorbeeld hetgeen voorzien wordt inzake het boeken van leasingoperaties, alsmede de niet- naleving van de voorschriften inzake het boeken van voorafbetaalde belastingen (boeking die de berekeningsbasis van de investeringsreserve kan beļnvloeden).

Zal in deze gevallen de vrijstelling van de investeringsreserve afgewezen worden?

Antwoord van de Minister van Economische Zaken

Ter aanvulling van het antwoord van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn en Buitenlandse Handel op de vraag van het geachte Lid en na het advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen te hebben ingewonnen, wil ik het volgende verduidelijken :

  • 1° De bepalingen van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en van haar uitvoeringsbesluiten zijn van dwingende aard en niet louter suppletief : zulks blijkt ten overvloede uit de strafrechtelijke sanctie waarmee niet-naleving van deze bepalingen wordt beteugeld.

    Dat deze strafrechtelijke sanctie voor de in artikel 5 van deze wet bedoelde kooplieden en vennootschappen onder firma of gewone commanditaire vennootschappen slechts wordt toegepast in geval van faillissement, doet geen afbreuk aan het dwingend karakter van de wet en haar uitvoeringsbesluiten (cf. verslag opgemaakt in naam van de Verenigde commissies voor Economische Zaken en Justitie door de H. Fallon, Doc. Senaat, Zittijd 1974-1975, 12 juni 1975, nr. 436, 2, p. 9).

  • 2° Het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen bepaalt uitdrukkelijk dat door de onderneming betaalde of te haren laste ingehouden voorheffingen, alsmede voorafbetalingen van belastingen, als kosten moeten worden beschouwd die als dusdanig geboekt moeten worden op de resultatenrekening. Zij mogen niet als schuldvordering op de Staat worden ingeschreven op de actiefzijde van de balans tegenover het geraamde bedrag aan verschuldigde belastingen op de passiefzijde.

    Slechts in zover deze voorheffingen en voorafbetalingen groter zijn dan het geraamde bedrag van de verschuldigde belastingen, mag en moet het overschot als schuldvordering op de actiefzijde worden geboekt. Hieruit volgt dat een onderneming die, om de berekeningsbasis van de investeringsreserve te verruimen, op de actiefzijde de aanrekenbare voorheffingen en de voorafbetalingen zou boeken, en op de passiefzijde, de geraamde belastingschuld, de dwingende bepalingen van de boekhoudreglementering niet zou naleven.

  • 3° De verwerking van leasingverrichtingen in de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen wordt geregeld door voornoemd koninklijk besluit van 8 oktober 1976. Zoals voor de andere bepalingen van dit besluit moeten ook de ter zake voorgeschreven regels worden nageleefd.

Nota

(1) Parlementaire vraag van Senator Weckx d.d. 10 februari 1982, Vragen en Antwoorden, Senaat d.d. 1 juni 1982.

Bron : Bulletin CBN, nr. 10, april 1983, p. 14-15