CBN advies 128-3 - Bijkomende aanslag na balansdatum


Na afsluiting van het boekjaar en vr het opmaken van de jaarrekening door de raad van bestuur ontvangt een onderneming een belangrijke bijkomende aanslag die betrekking heeft op de inkomsten betreffende vorige boekjaren en waartegen de onderneming bezwaar aantekent.

Nemen wij aan dat het boekjaar wordt afgesloten op 31 december 1982 en dat de bijkomende aanslag betrekking heeft op de boekjaren 1980 en 1981. De vraag is dan of in de jaarrekening over het boekjaar 1982 rekening moet worden gehouden met de bijkomende aanslag voor de inkomsten betreffende de boekjaren 1980 en 1981, ook al vonden de inkohiering van de belasting en de betekening van de bijkomende aanslag plaats na 31 december 1982 ?

In haar advies 128/1 (Bulletin nr. 7, blz. 13) heeft de Commissie zich uitgesproken over de boeking van een betwiste fiscale aanslag bij inkohiering vr de balansdatum. Hier gaat het evenwel om de vraag hoe een betwiste fiscale aanslag betreffende vorige boekjaren moet worden geboekt wanneer de inkohiering van de belasting en de betekening van de aanslag plaatsvinden na de balansdatum.

Naar het oordeel van de Commissie moet terzake rekening worden gehouden met artikel 19, derde lid, van het besluit. Daarin wordt bepaald dat alle risico's en verliezen betreffende het boekjaar of vorige boekjaren in aanmerking moeten worden genomen ook al zijn deze slechts gekend tussen de balansdatum en het tijdstip waarop de jaarrekening door het bestuur wordt opgemaakt. In casu kan er geen twijfel over bestaan dat het risico betrekking heeft op vorige boekjaren. Alle elementen voor de aanslag bestonden immers vr het einde van het boekjaar 1982. Het risico is derhalve ontstaan vr 31 december 1982 ook al was het slechts gekend na die datum. De bestuurders zullen in dit geval met naleving van de beginselen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw een voorziening moeten vormen voor de fiscale schuld die effectief op het vermogen van de onderneming zal drukken.

Het is de raad van bestuur die oordeelt over het bedrag van de voorziening daarbij rekening houdend met de ingediende bezwaarschriften. Zo moet het bedrag van de voorziening niet gelijk zijn aan het bedrag van de aanslag maar moet het overeenstemmen met het geschatte bedrag van de kost die uiteindelijk op de onderneming zal drukken. Anderzijds moet worden onderstreept dat het indienen van een bezwaarschrift alleen niet volstaat om geen voorziening te vormen voor de belasting die waarschijnlijk zal moeten worden gedragen.

Bron : Bulletin CBN, nr. 10, april 1983, p. 12