CBN advies 127-2 - Waardevermindering op aandelen - Voorziening voor risico's verbonden aan niet-opgevraagd gedeelte


Aan de Commissie werd gevraagd hoe de verliesrisico's verbonden aan het niet-opgevraagde gedeelte van aandelen of deelnemingen waarop een onderneming had ingeschreven of die zij had verworven, moeten worden verwerkt in boekhouding en in de jaarrekening.

De situatie zag er als volgt uit: een onderneming had ingeschreven op aandelen die het kapitaal van een andere vennootschap vertegen- woordigden. Van de inschrijvingsprijs was slechts een gedeelte opgevraagd en gestort. Conform de boekhoudwetgeving (besluit over de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel) waren deze aandelen in de boekhouding opgenomen tegen hun inschrijvingswaarde (rekening 2800) terwijl het nog te storten gedeelte onder rekening 2801 was geboekt voor het creditsaldo. De balans vermeldde enkel het nettobedrag, verkregen na samenvoeging van de twee voormelde rekeningen.

De vennootschap waarin werd deelgenomen had aanzienlijke, duurzaam geachte verliezen geleden die meer bedroegen dan haar totaal eigen vermogen, inclusief het niet-gestorte gedeelte van het kapitaal.

De vraag rees of voor de ontwaarding van deze deelneming, wat het niet- opgevraagde gedeelte van het kapitaal betrof, een waardevermindering moest worden toegepast dan wel een voorziening voor risico's en kosten moest worden gevormd.

De Commissie is van oordeel dat hier geen waardevermindering kan worden toegepast. Zo te werk gaan zou tot gevolg hebben dat in de balans een actiefbestanddeel wordt opgenomen voor een negatief bedrag.

In de hierboven beschreven situatie staat het verliesrisico vast. Enerzijds is de stortingsverbintenis onvoorwaardelijk; ten aanzien van derden zou de waarborg die het kapitaal hun biedt immers illusoir zijn als het nakomen van deze verbintenis afhankelijk zou zijn gesteld van een of ander toekomstig en onzeker feit; de schuldeisers of de curator zullen trouwens hoogst waarschijnlijk zelf eisen dat het kapitaal wordt gestort als de vennootschap dat niet doet. Anderzijds zal de economische waarde van de deelneming wegens de positie van de vennootschap nul blijven, ondanks de aanvullende kapitaalstorting. De mate waarin het kapitaal is gestort heeft bijgevolg in principe geen invloed op de omvang van het risico. In boekhoudrechtelijk opzicht gaat het om een verliesrisico waarvoor een voorziening moet worden gevormd. Op het ogenblik dat om storting wordt verzocht, zal de weerslag van de vastgestelde waardevermindering op de boekwaarde van de deelneming, verhoogd met het opgevraagde bedrag, in de resultatenrekening worden geneutraliseerd door de aanwending van de gevormde voorziening.

Bron : Bulletin CBN, nr. 31, december 1993, p. 23