CBN advies 126-17 - (1) Bepaling van de aanschaffingswaarde van activa verkregen onder bezwarende titel of om niet (2)


Samenvatting

    Dit advies handelt over de bepaling van de aanschaffingswaarde van activa die, al of niet van verwante partijen, verkregen worden hetzij onder bezwarende titel, hetzij om niet.

    Principieel stemt de aanschaffingsprijs van activa verkregen onder bezwarende titel overeen met de tussen partijen overeengekomen prijs, wat betekent dat de wilsautonomie van partijen wordt erkend.

    De aanschaffingswaarde van activa verkregen om niet stemt, bij gebrek aan aanschaffingsprijs, overeen met de werkelijke waarde ervan. In de periode van verkrijging dient een resultaat erkend te worden ten belope van de werkelijke waarde van het verkregen actief.

    In de uitzonderlijke gevallen waarin activa gedeeltelijk onder bezwarende titel en gedeeltelijk om niet worden verkregen, worden de verkregen activa gewaardeerd tegen werkelijke waarde. In de periode van verkrijging dient een resultaat erkend te worden ten belope van het verschil tussen de werkelijke waarde van het verkregen actief en de tussen partijen overeengekomen prijs.

    Om een getrouwe financiële verslaglegging te bewerkstelligen, is aanvullende toelichting noodzakelijk over de verkrijging van activa van verwante partijen.

    Dit advies werd getoetst aan buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen (3).

1. De bepaling van de aanschaffingsprijs van activa verkregen onder bezwarende titel

    Artikel 36 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen definieert de aanschaffingswaarde van activa die verkregen werden onder bezwarende titel, d.i. tegen betaling van een prijs die al of niet is uitgedrukt in geld als volgt:

    De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten.

    De aanschaffingsprijs van een door ruil verkregen actiefbestanddeel is de marktwaarde van het (de) in ruil hiervoor overgedragen actiefbestanddeel (-delen); is deze waarde moeilijk vast te stellen, dan is de aanschaffingsprijs de marktwaarde van het door ruil verkregen actiefbestanddeel. Deze waarden worden geschat op de datum van de ruil."

    Deze waarderingsgrondslag kan beschouwd worden als de bevestiging van het burgerrechtelijke principe van de wilsautonomie van de contracterende partijen.

    De partijen zijn principieel vrij om de prijs te bepalen en autonoom de evenwaardigheid te beoordelen van de wederzijdse prestaties (4) . Impliciet wordt daarbij verondersteld dat bij een vrije prijszetting elke betrokken partij zal streven naar een maximalisering van het eigen belang met als resultante een transactieprijs die door partijen wordt beoordeeld als een evenwichtige vergoeding van de aangegane verbintenissen. De evenwaardigheid van de wederzijdse prestaties is per definitie relatief daar zij gebonden is aan een subjectieve beoordeling door de contracterende partijen (5) .

    Wat door de éne partij als onevenwichtig wordt ervaren, kan door de andere als evenwichtig worden beoordeeld wegens de bijzondere toestand waarin zij zich bevindt of wegens haar beoordeling van de feitelijke omstandigheden (6) .

2. De bepaling van de aanschaffingswaarde van activa verkregen om niet

    Het Belgische jaarrekeningrecht bevat geen bijzondere waarderingsgrondslag voor de bepaling van de aanschaffingswaarde van activa die om niet worden verkregen.

    Gelet op de vereiste van een getrouwe financiële verslaglegging is de Commissie van oordeel dat er voor de bepaling van de aanschaffingswaarde van activa verkregen om niet geredeneerd moet worden in termen van vermogenstoename en niet in termen van historische kostprijs aangezien die in casu uiteraard ontbreekt.

    Enerzijds dient de jaarrekening immers een passend inzicht te verstrekken in de vermogensbestanddelen van de onderneming en het gebruik ervan, anderzijds kan het voorzichtigheidsbeginsel niet ingeroepen worden om de resultaaterkenning uit te stellen aangezien de verkrijging om niet een onmiddellijke vermogenstoename tot gevolg heeft waarover de onderneming het volledige beschikkingsrecht verkrijgt.

    De om niet gerealiseerde vermogenstoename wordt gewaardeerd tegen "werkelijke waarde " (7) die dient omschreven te worden als het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde, onafhankelijke partijen die uit vrije wil een transactie afsluiten.

    De begunstigde dient ten belope van deze "werkelijke waarde" een resultaat te erkennen op het ogenblik van verkrijging.

    Dit standpunt is in overeenstemming met buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen (8) die bijzondere bepalingen bevatten over de waardering van de aanschaffingswaarde bij verkrijging om niet.


    Met de eigenlijke verkrijging om niet dienen ook de verdoken verkrijging om niet en de onrechtstreekse verkrijging om niet gelijkgesteld te worden . In het eerste geval is er sprake van veinzing en dient ook in de jaarrekening rekening te worden gehouden met de werkelijke aard van de verkrijging. In het tweede geval dient de waarderingsgrondslag van de verkrijging om niet toegepast te worden op de betrokken rechtshandeling (het geding ten behoeve van een derde, afstand van recht,...).


    In bijzondere gevallen kan er sprake zijn van een verkrijging die gedeeltelijk om niet is. Hoewel de partijen bij een verkrijging onder bezwarende titel principieel vrij zijn om de prijs te bepalen, kan een belangrijk onevenwicht in de wederzijdse prestaties erop wijzen dat partijen bewust een (gedeeltelijke) vermogensverschuiving om niet hebben beoogd maar deze hebben ingebouwd in een overeenkomst onder bezwarende titel (9) .

    Opdat er sprake zou zijn van een verkrijging gedeeltelijk om niet, dienen principieel twee kenmerken voorhanden te zijn: enerzijds een belangrijk onevenwicht in de waarde van de wederkerige prestaties (objectief element), anderzijds de wil van de éne partij om de andere te bevoordelen (subjectief element). De Commissie stipt daarbij aan dat naar haar oordeel het fenomeen van de verkrijging gedeeltelijk om niet, weliswaar reëel maar eerder uitzonderlijk is. In de regel geldt de betaalde prijs voor de verkrijging van een actief als aanschaffingswaarde en is er geen behoefte aan een systematische vergelijking tussen de betaalde prijs en de "werkelijke" waarde.

    Boekhoudrechtelijk dient op het vergoedende en het niet-vergoedende bestanddeel de overeenstemmende waarderingsbasis toegepast te worden (historische kostprijs - werkelijke waarde).

    Dezelfde benadering wordt teruggevonden in buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen die handelen over de waarderingsgrondslag van verkrijgingen om niet (10) .

    Deze bewust gewilde vermogensverschuivingen om niet kunnen zich uiten in een te lage of in een te hoge prijs. Wordt er te weinig betaald, dan zal de waardering tegen werkelijke waarde ertoe leiden dat de aanschaffingswaarde in hoofde van de ontvanger van het voordeel om niet gewaardeerd wordt tegen werkelijke waarde met een overeenstemmende onmiddellijke winsterkenning; wordt er te veel betaald, dan zal de waardering tegen werkelijke waarde ertoe leiden dat de aanschaffingswaarde in hoofde van de verstrekker van het voordeel om niet gewaardeerd wordt tegen werkelijke waarde met een overeenstemmende onmiddellijke verlieserkenning.

3. Informatieverstrekking over verwante partijen

    De hiervoor beschreven waarderingsgrondslagen voor activa verkregen onder bezwarende titel of om niet geldt ongeacht de verwantschap die bestaat tussen de bij de verkrijging betrokken partijen.

    Omdat niettemin het vermoeden bestaat dat de verwantschap tussen partijen het al dan niet tot stand komen van transacties tussen deze partijen en de vaststelling van de prijzen en de voorwaarden daarbij kan beïnvloeden, zijn bij verkrijging tussen verwante partijen bijkomende informatievereisten noodzakelijk.

    Het Belgische jaarrekeningrecht bevat enerzijds een aantal expliciete informatievereisten inzake de in de toelichting te verstrekken gegevens over verbonden ondernemingen, ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat en bestuurders en zaakvoerders (11) ; anderzijds eisen de artikelen 24 (enkelvoudige jaarrekening) en 115 (geconsolideerde jaarrekening) van het uitvoeringsbesluit Wetboek van vennootschappen aanvullende informatieverstrekking indien de toepassing van de wettelijke bepalingen niet zou volstaan om te voldoen aan de vereiste van het getrouwe beeld.

    De Commissie neemt zich voor een afzonderlijk advies op te stellen omtrent de problematiek van de informatieverstrekking over verwante partijen rekening houdend met buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen (12) terzake.

Ontvangen reacties op ontwerp-advies 126/17 "Bepaling van de aanschaffingswaarde van activa verkregen onder bezwarende titel of om niet"

Na de publikatie van het ontwerp-advies in april 2001, ontving de Commissie 13 schriftelijke reacties.

De overwegingen en bekommernissen die uit deze reacties blijken, werden nauwgezet onderzocht. Zij hebben evenwel niet tot significante aanpassingen van het ontwerp-advies geleid. Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste ontvangen reacties met in beknopte vorm de overwegingen van de Commissie. Deze tekst is géén commentaar of toelichting bij de tekst van advies nr 126/17 waarvan hij geen deel uitmaakt. Evenmin is deze tekst te beschouwen als een "advies" van de CBN in de juridisch-technische betekenis van het begrip.

Toepassingsgebied

    Beperking tot de verkrijging van activa

    Waarom is het toepassingsgebied van het advies beperkt tot de verkrijging van activa ? Het advies zou immers niet enkel op de verkrijging van activa kunnen slaan, maar ook op de verkrijging van diensten.

    Hoewel er principieel geen redenen voorhanden zijn om de in het advies vermelde principes inzake activering en waardering niet uit te breiden tot diensten, is de Commissie niettemin van oordeel dat er inzake diensten sprake is van een bijkomende problematiek: enerzijds rijzen er bijzondere problemen inzake de aard (al of niet noodzakelijk door derden te verrichten diensten) en de waardering (betrouwbaarheid) van de verkregen diensten. Bovendien zou het verkrijgen van de diensten meestal samenvallen met het onmiddellijke verbruik ervan wat tot een resultaten compenserend effect zou leiden. Daarom is bijkomend onderzoek hieromtrent noodzakelijk vooraleer de Commissie advies kan uitbrengen.

    Verkrijgingen om niet (vrijgevigheden) in een vennootschapsrechtelijke context

    Hoe kan de problematiek van de verkrijgingen om niet rijzen in een vennootschapsrechtelijke context ? De aan het jaarrekeningrecht onderworpen vennootschappen zijn immers opgericht met een uitsluitend winstgevend doel en zouden bijgevolg in beginsel geen vrijgevigheden kunnen toestaan.

    Hierbij wordt opgemerkt dat de jaarrekeningrechtelijke problematiek van de verkrijgingen om niet in het advies behandeld wordt vanuit de optiek van de begunstigde vennootschap. De vraag wie de schenkers kunnen zijn was in deze context niet relevant. Bovendien werd rekening gehouden met de economische realiteit waarbij wel degelijk gevallen van "vrijgevigheden" onder allerlei vormen kunnen worden vastgesteld, bvb. tussen verwante partijen. Dat het fenomeen reëel is bewijst overigens de belangstelling van andere standardsetters voor de problematiek (zie de in het advies opgenomen verwijzingen).

    "Vergoedende verkrijging om niet"

    Volgens een aantal respondenten zou in het advies ook aandacht moeten besteed worden aan de zgn. "vergoedende verkrijgingen om niet". Daarmee zouden dan bedoeld zijn betalingen in natura als tegenprestatie voor de verkrijging van een actief binnen het kader van de bedrijfsuitoefening.

    Principieel zijn de bedoelde "vergoedende verkrijgingen om niet" verkrijgingen onder bezwarende titel. Daar het advies vooralsnog niet van toepassing is op de verkrijging van diensten (zie hoger), worden in het advies echter geen aanwijzingen verstrekt over de hypothese waarin een actief verkregen wordt met als tegenprestatie het verrichten van een dienst.

Waardering van onder bezwarende titel verkregen activa

    Impliciete evenwichtsveronderstelling

    Wat de waardering tegen aanschaffingsprijs betreft, zou er geen sprake kunnen zijn van enige impliciete evenwichtsveronderstelling gesteund op de premisse dat de waardering tegen aanschaffingsprijs voortvloeit uit de gelijkheid die zou bestaan tussen de betaalde prijs en de actuele "werkelijke waarde" van het verkregen actief.

    Wat de verkrijgingen onder bezwarende titel betreft, wordt benadrukt dat het advies op geen enkele wijze afbreuk doet aan het beginsel van de waardering van de aanschaffingswaarde tegen de betaalde prijs. De rechtszekerheid zou inderdaad in het gedrang komen indien elke tussen partijen overeengekomen prijs voor jaarrekeningrechtelijke waarderingsdoeleinden zou moeten getoetst worden aan het begrip "gelijke economische waarde". Partijen zijn uiteraard principieel vrij om een prijs overeen te komen die bepaald wordt door een combinatie van uiteenlopende subjectieve en objectieve factoren. In die zin is elke waardering relatief want transactiegebonden.

    Uit deze vaststelling mag echter niet besloten worden dat er geen sprake zou kunnen zijn van een jaarrekeningrechtelijke waardering tegen "werkelijke waarde", hetzij bij gebrek aan een (wederkerige) transactie, hetzij bij gebrek aan een in geld uitgedrukte transactieprijs. In dergelijke hypothesen is het beroep op de "werkelijke waarde", in de zin van de prijs die zou betaald worden in een at arm's length afgesloten transactie, immers de bevestiging van de per definitie ontbrekende, maar veronderstelde waardering tegen historische kostprijs (zie verder).

    Wat met de boeking van de bijkomende kosten bij verwerving van activa onder bezwarende titel ?

    De bijzondere problematiek van de bijkomende kosten werd in het advies terzijde gelaten. Zij zal later worden behandeld samen met de problematiek van de bijkomende kosten bij vervreemding van activa.

Waardering van om niet verkregen activa

    Een meerderheid van de ontvangen reacties had betrekking op de in het advies aanbevolen waardering tegen "werkelijke waarde" van (gedeeltelijk) om niet verkregen activa.

    Daarbij werd benadrukt dat het Belgische jaarrekeningrecht wezenlijk gekenmerkt wordt door de waardering tegen historische kostprijs. Afwijkingen van deze fundamentele waarderingsbasis zouden maar mogelijk zijn indien zij expliciet in het jaarrekeningrecht worden bepaald (ruilverrichtingen, lagere marktwaarde van voorraden, aandelen ontvangen als vergoeding voor inbreng).

    Het uitdrukken van een realisatieresultaat ten belope van de "werkelijke waarde" zou bovendien strijdig zijn met het voorzichtigheids- en realisatiebeginsel.

    Tenslotte zou de "werkelijke waarde" een onzeker, weinig betrouwbaar en moeilijk controleerbaar waarderingscriterium zijn dat niet beantwoordt aan de objectiviteits- en vergelijkbaarheidsvereisten van de financiële verslaglegging.

    Waardering tegen "werkelijke waarde"

    Artikel 35 van het Uitvoeringsbesluit wetboek van Vennootschappen luidt als volgt:

    Onverminderd de toepassing van de artikelen 29 (verplichte afwijking van de wettelijk bepaalde waarderingsregels indien deze niet leiden tot nakoming van de vereiste van het getrouwe beeld van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap), 57 (herwaarderingsmeerwaarden), 67 (nominale waarde van vorderingen), 69 (aanschaffingswaarde of lagere marktwaarde van voorraden), 71 (bestellingen in uitvoering al of niet met toerekening van winst), 73 (aanpassing van de aanschaffingswaarde van vastrentende effecten in functie van het actuariële rendement) en 77 (nominale waarde van schulden), wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

    Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 36, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 37, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 39."

    Uit deze bepaling kan niet worden besloten dat de aanschaffingswaarde van om niet verkregen activa noodzakelijk tegen nul (in voorkomend geval, met toevoeging van de te activeren bijkomende kosten) moet gewaardeerd worden omdat de aanschaffingsprijs nul bedraagt.

    Het begrip aanschaffingswaarde verwijst immers naar de waarde van de activa op het ogenblik van hun opname in het vermogen van de vennootschap. Deze waarde stemt principieel overeen met de door de vennootschap betaalde prijs hetzij bij aankoop, hetzij bij productie, hetzij bij inbreng van het actief.

    In de (zeldzame) gevallen waarin er door de vennootschap geen prijs wordt betaald omdat het actief om niet verkregen wordt, kan de waarde van het actief uiteraard niet bepaald worden met verwijzing naar de betaalde prijs. In dergelijke gevallen kan de aanschaffingswaarde slechts worden bepaald met verwijzing naar de prijs die zou betaald worden voor de verwerving van het betreffende actief in een at arm's length transactie (in het advies aangeduid als de "werkelijke waarde"). Op die manier wordt een uniforme waarderingsbasis toegepast op alle activa bij hun opname in het vermogen van de vennootschap ongeacht of zij onder bezwarende titel dan wel om niet worden verkregen.

    Het niet-erkennen van een aanschaffingswaarde aan om niet verkregen activa zou strijdig zijn met de economische realiteit aangezien daardoor het bestaan van een vermogensbestanddeel wordt ontkend. Een dergelijke jaarrekening zou dan ook niet voldoen aan de volledigheidsvereiste en geen getrouw beeld verstrekken van het vennootschapsvermogen.

    Toepassing van het voorzichtigheids- en realisatiebeginsel

    De waardering tegen werkelijke waarde van om niet verkregen activa, met een overeenstemmende resultaaterkenning, zou strijdig zijn met het voorzichtigheids- en realisatiebeginsel. De voorgestelde waarderingswijze zou dan ook enkel kunnen leiden tot een rechtstreekse toerekening aan het eigen vermogen.

    Noch de draagwijdte van het realisatiebeginsel, noch die van het voorzichtigheidsbeginsel zijn geëxpliciteerd, zomin in het Europese jaarrekeningrecht, als in het Belgische jaarrekeningrecht dat daarvan rechtstreeks afgeleid is. Het Belgische jaarrekeningrecht bevat noch een algemene begripsomschrijving van opbrengsten en kosten, noch criteria voor hun opname in de resultatenrekening. De artikelen 25 en 33 van het Uitvoeringsbesluit Wetboek van vennootschappen bepalen enkel dat de jaarrekening stelselmatig de aard en het bedrag van de opbrengsten en kosten moet weergeven en dat daarbij rekening moet gehouden worden met de opbrengsten en kosten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren ongeacht wanneer deze worden betaald of geïnd, tenzij de effectieve inning van de opbrengsten onzeker is.

    Bij gebrek aan een algemeen realisatieconcept rijst de vraag of een éénduidige formulering ervan wel mogelijk is. Het realisatieconcept kan immers benaderd worden vanuit verschillende invalshoeken die alle verdedigbaar zijn, maar tegelijk ook een aantal tekortkomingen vertonen. Zo wordt het realisatieconcept gerelateerd aan de omzetting van een actief in geld, de omzetting van een actief in gemakkelijk te gelde te maken activa, de vervanging van een actief door een ander actief, het uitvoeren van de contractuele verplichtingen, de betrouwbare waardering van waardeschommelingen van activa of het vrije beschikkingsrecht over activa zonder tegelijk de continuïteit van de vennootschap in het gedrang te brengen.

    Toegepast op verkrijgingen om niet, zou de bewering dat de opname van de werkelijke waarde in de resultatenrekening strijdig is met het realisatieconcept, betekenen dat er slechts sprake zou kunnen zijn van realisatie bij omzetting van het om niet verkregen actief in een ander, al of niet gelijksoortig, actief. Er kan echter moeilijk worden ingezien waarom er slechts realisatie zou zijn na omzetting van het om niet verkregen actief, terwijl de vermogenstoestand van de vennootschap vóór en na de omzetting precies dezelfde zou zijn.

    Geconfronteerd met deze moeilijkheid, verdient het de voorkeur het realisatieconcept te relateren aan de gevolgen van transacties of gebeurtenissen voor de actief- en passiefbestanddelen van de vennootschap. In die optiek worden resultaten erkend wanneer er, met toepassing van het voorzichtigheidsbeginsel, voldoende zekerheid bestaat over de netto toe- of afname van activa en passiva die op een betrouwbare manier gewaardeerd kunnen worden (13) . Het voorzichtigheidsbeginsel kan echter niet worden ingeroepen om het netto actief bewust te onderwaarderen.

    Waarderingscriterium "werkelijke waarde"

    De waardering tegen "werkelijke waarde" kan op een voldoende betrouwbare en objectieve wijze gebeuren. Daartoe kan een beroep worden gedaan op marktprijzen van soortgelijke activa, deskundige schattingen of bijzondere waarderingstechnieken zoals de actuele waarde van de verwachte toekomstige kasstromen. In de uitzonderlijke gevallen waarin het onmogelijk zou blijken om de "werkelijke waarde" op een voldoende betrouwbare wijze te bepalen, kan er geen activering met overeenstemmende resultaaterkenning plaatsvinden. Overigens wordt financiële verslaggeving wezenlijk en onvermijdelijk gekenmerkt door schattingen, waarschijnlijkheden, redelijke zekerheden en andere beoordelingselementen. Elke waardering berust per definitie op een waardeoordeel dat het bestuursorgaan van de vennootschap met voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw moet vellen, onder de controle van de commissaris en in voorkomend geval van de toezichthouder.

Waardering van gedeeltelijk om niet verkregen activa

    De betaling van een prijs voor gedeeltelijk onder bezwarende titel, gedeeltelijk om niet verkregen activa, zou noodzakelijk leiden tot een jaarrekeningrechtelijke waardering van de aanschaffingswaarde tegen die (gedeeltelijke) aanschaffingsprijs. De vergelijking van de aanschaffingsprijs met de "werkelijke waarde" zou leiden tot rechtsonzekerheid en de waardering van eenzelfde verrichting afhankelijk maken van een subjectief element, met name het al of niet aanwezig zijn van de animus donandi die niet kan vermoed worden op grond van een belangrijk onevenwicht in de wederkerige prestaties.

    In haar adviespraktijk (14) heeft de Commissie er reeds vaak op gewezen dat voor de boekhoudkundige verwerking van verrichtingen hun werkelijke draagwijdte moet worden nagegaan daarbij rekening houdend met de gemeenschappelijke bedoeling van de betrokken partijen. Deze benadering stemt overeen met het "substance over form" beginsel. Indien een tussen partijen bewust gewilde (belangrijke) bevoordeling de vorm heeft aangenomen van een overeenkomst onder bezwarende titel, kan er dan ook niet gewaardeerd worden tegen de betaalde prijs omdat deze waarderingswijze van de aanschaffingswaarde bedoeld is voor verrichtingen onder bezwarende titel die geen vrijgevigheid beogen. Er kan geen behoorlijke vergelijkbare financiële informatie worden verstrekt mocht de betaling van een verwaarloosbare prijs leiden tot de waardering van de aanschaffingswaarde tegen die (verwaarloosbare) aanschaffingsprijs, terwijl het geheel ontbreken van een betaalde prijs zou leiden tot de waardering van de aanschaffingswaarde tegen "werkelijke waarde".

    Het fenomeen van de gedeeltelijk om niet verkregen activa is weliswaar eerder uitzonderlijk. Het is dus slechts in uitzonderlijke gevallen dat een belangrijk onevenwicht in de wederkerige prestaties de aanleiding zal vormen om na te gaan of partijen geen verkrijging om niet hebben bedoeld, ondanks de "verpakking" in een verkrijging ten bezwarende titel. In de regel geldt de betaalde prijs als aanschaffingswaarde en is er geen behoefte aan een systematische toetsing tussen de betaalde prijs en de "werkelijke" waarde van het verkregen actief. Aangezien uit een aantal ontvangen reacties hieromtrent enige verwarring is gebleken, werd de tekst van het advies op dit punt verduidelijkt.

Verwijzing naar buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen

    Volgens sommige respondenten zijn de in het advies opgenomen verwijzingen naar buitenlandse en IAS verslaggevingsnormen niet relevant

    De Commissie gebruikt in haar adviesverstrekking de meest gezaghebbende buitenlandse en internationale verslaggevingsnormen als belangrijke inspiratiebron.

    Wat de waardering van om niet verkregen activa tegen "werkelijke waarde" betreft, kan moeilijk worden aangevoerd dat deze strijdig zou zijn met het Europese jaarrekeningrecht. Enerzijds bevat het Europese jaarrekeningrecht, zoals het Belgische, daarover geen expliciete bepaling; anderzijds heeft de Commissie in haar vergelijkend onderzoek vastgesteld dat een aantal belangrijke Europese Lidstaten de waardering van om niet verkregen activa tegen werkelijke waarde met overeenstemmende resultaaterkenning hebben opgenomen in hun financiële verslaggevingsnormen.

    In de actuele stand van zaken moet bovendien rekening worden gehouden met het Europese voorstel van verordening betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (15) . Dit voorstel bevat de verplichting voor alle Europese vennootschappen die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of die een beursnotering voorbereiden, om uiterlijk vanaf 2005 hun geconsolideerde jaarrekening op te stellen overeenkomstig de IAS normen goedgekeurd voor toepassing in de Europese Unie. In de toelichting bij dit voorstel wordt uitdrukkelijk gesteld dat er daarbij geen sprake kan zijn van enige tegenstrijdigheid tussen de Europese jaarrekeningrichtlijnen en de IAS normen. De overeenstemming met de richtlijnen is een basisvereiste voor alle Europese vennootschappen, de toepassing van de IAS normen is een extra verplichting voor de beursgenoteerde vennootschappen. Er wordt dus van uitgegaan dat de fundamentele principes van het Europese jaarrekeningrecht inzake de opname en waardering van activa, passiva, kosten en opbrengsten in de jaarrekening verenigbaar zijn met deze van de IAS normen. Aangezien de verplichte toepassing ervan tot gevolg zal hebben dat de Europese financiële verslaggevingsnormen grotendeels beheerst zullen worden door de IAS normen en hun evolutie, heeft de Commissie de beleidsbeslissing genomen om haar adviesverstrekking principieel af te stemmen op de toepasselijke IAS normen en hun interpretaties, voor zover verenigbaar met de huidige Belgische juridische context. Wat de waardering van om niet verkregen activa betreft, is de Commissie van oordeel dat uit het samenlezen van de §§ 49, 59, 70, 83, 89 en 92 van het IAS framework, bij verkrijgingen om niet besloten moet worden tot waardering op de balans van de begunstigde vennootschap tegen "werkelijke waarde" met overeenstemmende resultaaterkenning.

Bevoegdheid van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen

    Aangezien het Belgische jaarrekeningrecht geen bepaling bevat over de waardering van om niet verkregen activa en de in het advies aanbevolen waarderingswijze van deze activa strijdig zou zijn met de door het jaarrekeningrecht voorgeschreven waardering tegen aanschaffingswaarde, zou de Commissie buiten de grenzen van haar bevoegdheid treden. Bovendien zou het advies een inbreuk betekenen op de door de wetgever gewilde fiscale neutraliteit van het jaarrekeningrecht.

    De Commissie heeft de draagwijdte van haar adviesbevoegdheid omstandig toegelicht in advies 14/1 "Adviesbevoegdheid", Bulletin 30, februari 1993. Daarbij werd benadrukt dat de adviezen die worden verstrekt met toepassing van artikel 13, 2° van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen (16), geen bindende kracht hebben. Niettemin vormen zij een belangrijke rechtsbron zowel interpreterend als aanvullend. Juridisch kunnen de betrokken adviezen immers gekwalificeerd worden als rechtsleer.

    Per definitie kan er dan ook als gevolg van de publikatie van een advies van de CBN geen sprake zijn van wetscreatie of van inwerkingtreding al of niet met terugwerkende kracht.

    Indien een vennootschap als gevolg van een advies van de Commissie zou beslissen een in het verleden toegepaste waarderingsregel te wijzigen omdat de door de Commissie geadviseerde waarderingsregel beter beantwoordt aan de vereiste van het getrouwe beeld, dan moet artikel 30 van het uitvoeringsbesluit Wetboek van vennootschappen worden toegepast. Dergelijke wijziging moet vermeld en verantwoord worden in de toelichting met aanduiding van de geraamde invloed op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.

    Wat de zogeheten fiscale "neutraliteit" betreft, wordt eveneens verwezen naar het voormelde advies 14/1. Daarin heeft de Commissie haar werkwijze uiteengezet in de gevallen waarin bij de adviesverstrekking het fiscale aspect al of niet latent aanwezig zou zijn.

Notas

(1) Dit advies werd in november 2001 reeds gepubliceerd op de websites van de Beroepsinstituten.

(2) Bij de Raad van State werd een verzoekschrift ingediend tot nietigverklaring van dit advies, in de mate het betrekking heeft op de bepaling van de aanschaffingswaarde van om niet verkregen activa. Deze procedure werd beëindigd met de bevestiging van het advies als gevolg.. Zie in verband met dit advies ook de door de Minister van Financien verstrekte antwoorden op de parlementaire vragen gesteld door de heer De Clippele (Senaat, zitting 2000-2001, 26 juni 2001, 1841, nr 1084) en de heer Leterme (Kamer van Volksvertegenwoordigers, Commissie van Financiën en Begroting, 8 januari 2002 en 29 januari 2002, nr 5706 en 6259) alsook het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, 5 oktober 1999 (T.F.R. 2000, p. 498 en T.R.V. 2000, p. 35) en het arrest van het hof van Cassatie van 18 mei 2001 (T.F.R. 2001, p. 969).

(3) Frankrijk, PCG 321-1;US GAAP, FAS 116, Accounting for Contributions Received and Contributions Made ; FAS 57, Related Party Disclosures;IAS 24, Related Party Disclosures;G4+1, Accounting by Recipients for non-reciprocal Transfers, excluding Contributions by Owners: Their Definition, Recognition and Measurement.

(4) Zie hierover o.m. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome I, 69

(5) Slechts uitzonderlijk wordt in rechte rekening gehouden met een (belangrijk) onevenwicht in de wederzijdse prestaties: voor een overzicht zie o.m. :Vandeputte, de Overeenkomst, Larcier, 1977, p. 75-78 en De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome IV, 38.

(6) Voor een toepassing inzake de “overprijs” zie advies 126/8, Financiële vaste activa-waardering- aanschaffingswaarde met prijstoeslag, Bulletin 24, p. 15-17 : “... Deze bijzondere waarde, die daadwerkelijk de prijs heeft beïnvloed die de onderneming heeft willen betalen om de betrokken deelneming te verwerven, mag niet buiten beschouwing worden gelaten wanneer wordt vastgesteld tegen welke waarde deze deelneming moet worden geboekt in de jaarrekening...”.

(7) “Fair value” gedefinieerd als “the amount for which an asset could be exchanged, or a liability settled, between knowledgeable, willing parties in an arm’s length transaction”, IAS 32, IAS 33, IAS 38, IAS 39, IAS 40.

(8) Zie o.m. Frankrijk, PCG 321-1: “A leur date d’entrée dans le patrimoine de l’entité, la valeur des biens est déterminée dans les conditions suivantes: (...) les biens acquis à titre gratuit sont comptabilisés en les estimant à leur valeur vénale”; US GAAP, FAS 116, Accounting for Contributions Received and Contributions Made, §§ 8 en 18: “Contributions received shall be measured at their fair values. Contributions made shall be measured at the fair values of the assets given or, if made in the form of a settlement or cancellation of a donee’s liabilities, at the fair value of the liabilities canceled”;G4+1 Paper, Accounting by Recipients for non-reciprocal Transfers, excluding Contributions by their Owners: Their Definition, Recognition and Measurement, p. 57: “Recognised non-reciprocal transfers should be recognised at their fair value”.

(9) Voor een uitgebreide burgerrechtelijke theorie over de verdoken schenking, inz. de gedeeltelijke schenking, zie o.m. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome VIII, 9, 493, 508-515.

(10) Zie o.m. FAS 115, Accounting for Contributions Received and Contributions Made, §3: “(...) However, if an entity voluntarily tranfers assets to another or performs services for another in exchange for assets of substantially lower value and no unstated rights or privileges are involved, the contribution inherent in that transaction is within the scope of this Statement”;G4+1 Paper, Accounting by Recipiens for non-reciprocal Transfers, excluding Contributions by Owners: Their Definition, Recognotion and Measurement, p.6: “In some transactions, the transfer of assets from one entity to another may involve both reciprocal components (to the extent approximately equal consideration is not provided). When this occurs, the transferor receives some value in return although this is not commensurate with the value given (...) Where a transfer involves both reciprocal and non-reciprocal components that are each material, the transfer should be classified in two parts: as a reciprocal transfer for an amount equal (11) to the value given and as a non-reciprocal transfer to the extent that value received exceeds value given”.

(12) Staten IX en X van de toelichting in het verkorte schema van de jaarrekening; staten IV, V, XVIII en XIX van de toelichting in het volledige schema van de jaarrekening; staten II, III, IV, V, XVI en XVII van de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening.

(13) Zie o.m. IAS 24, Related Party Disclosures; US GAAP FAS 57, Related Party Disclosures; FRS 8, Related Party Disclosures.

(14) In deze zin IAS “Framework for the Preparation and Presentation of Financial Statements”, §§ 92 en 94; ASB “Statement of Principles for Financial Reporting”, §§ 40-50.

(15) Bulletin 17, september 1985, advies 106 “Verplichtingen en zekerheden”, p. 16; Bulletin 20, december 1987, advies 152, “Boeking van deviezenverrichtingen en verwerking van tegoeden en verplichtingen in deviezen in de jaarrekening”,p. 8; Bulletin 23, december 1986, advies 158 “Natuurlijke rijkdommen”, p. 20; Bulletin 25, juni 1990, advies 162 /1“Boekhoudkundige verwerking van het vruchtgebruik op aandelen dat onder bezwarende titel is verworven”, p. 30; Advies 178/1“ Advies met betrekking tot de boekhoudkundige aspecten van de certificatie van aandelen van handelsvennootschappen”, p. 3. “Voorstel voor een verordening van het Europese Parlement en de Raad betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen”, COM(2001) 80, 13 februari 2001.

(16) Artikel 13, 2° W. 17 juli 1975 : door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding.

VERWIJZINGEN NAAR WETGEVING