CBN advies 120-4 - Overheidsfondsen


Aan de Commissie werd de vraag gesteld of fondsen uitgegeven door de Belgische Staat, in hoofde van de ondernemingen die ze bezitten, noodzakelijk als «Geldbeleggingen» moeten worden beschouwd.

Hoewel de vraag onrechtstreeks betrekking had op één van de voorwaarden bepaald door het koninklijk besluit nr. 15, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 150, tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen, heeft de Commissie deze vraag enkel onderzocht in het licht van de boekhoudwetgeving. De interpretatie van andere wettelijke of reglementaire bepalingen, zoals inzake fiscaliteit, behoort immers niet tot haar bevoegdheid. Zij heeft volgend advies verstrekt.

Er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om ondernemingen waarop al dan niet, rechtstreeks of krachtens een verwijzingsbepaling, het besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van de ondernemingen van toepassing is. Vallen buiten de toepassingssfeer van dit besluit, de kredietinstellingen (banken, openbare kredietinstellingen, spaarkassen en ondernemingen waarvoor hoofdstuk I van de wet van 10 juni 1964 geldt) evenals de erkende verzekeringsondernemingen.

  • I. ONDERNEMINGEN WAAROP HET BESLUIT VAN 8 OKTOBER 1976 TOEPASSELIJK IS

    Voor deze ondernemingen moeten overheidsfondsen krachtens het besluit steeds worden beschouwd als geldbeleggingen, welke als dusdanig moeten worden geboekt in de actiefrubriek VIII «Geldbeleggingen».

    Volgens de omschrijving in het besluit bevat deze rubriek inderdaad de vorderingen op financiële instellingen uit termijndeposito's op meer dan één maand, alsmede de met belleggingsdoeleinden verkregen effecten die niet het kenmerk hebben van financiële vaste activa ... (met betrekking tot de gestelde vraag zijn enkel de onderstreepte woorden belangrijk; daaraan werd overigens niets gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 september 1983).

    Bovendien blijkt uit de omschrijving in hetzelfde besluit, van de vorderingen welke moeten worden geboekt bij de financiële vaste activa, dat dit begrip naast de borgtochten in contanten alleen deze vorderingen dekt, al dan niet belichaamd in effecten, bestemd voor een duurzame ondersteuning van de bedrijfsuitoefening van andere ondernemingen (verbonden ondernemingen, ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat of andere ondernemingen). (Deze omschrijving werd op het betrokken punt niet ten gronde gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 september 1983). Men kan zich moeilijk voorstellen dat onder deze omschrijving overheidsfondsen zouden vallen.

    Deze omschrijvingen worden geschraagd door de overeenstemmende structuur en nomenclatuur van de rekeningen in het algemeen rekeningenstelsel. Vastrentende effecten worden zeer uitdrukkelijk gerangschikt in klasse 5 die het opschrift draagt : «Financiële rekeningen» in het koninklijk besluit van 7 maart 1978 en «Geldbeleggingen en liquide middelen» in het besluit van 12 september 1983 dat het vorige vervangt. Bij de vorderingen op respectievelijk meer dan één jaar (290 en 291) en ten hoogste één jaar (40 en 41), is er geen plaats voor vastrentende effecten.

    Naast deze argumenten uit de tekst zelf is er ook het feit dat, zoals in de vierde richtlijn, de schema's van de balansrekeningen gevoegd bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, aan de actiefzijde drie grote categorieën van tegoeden bevatten, naargelang van hun functie voor de onderneming :

    • 1° de infrastructuur, bestaande uit de oprichtingskosten en de immateriële, materiële en financiële vaste activa;

    • 2° de bedrijfsmiddelen die essentieel bestaan uit de voorraden en gewone vorderingen;

    • 3° de geldbeleggingen, welke bestaan uit liquide middelen (rubriek IX) enerzijds, en middelen die nog moeten worden aangewend en voorlopig zijn belegd met het oog op een financiële opbrengst (rubriek VIII), anderzijds.

    In de schema's van de vierde richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen is de overeenstemmende rubriek D.III, Effecten, 3° «Overige effecten».

  • II. ONDERNEMINGEN WAAROP HET BESLUIT VAN 8 OKTOBER 1976 NIET TOEPASSELIJK IS

    In de ondernemingen uit de financiële sector, waarop het besluit van 8 oktober 1976 niet toepasselijk is, hebben overheidsfondsen een ander kenmerk, verbonden aan de aard van het bedrijf. In deze ondernemingen vormen zij meestal de in bepaalde gevallen wettelijk verplichte tegenwaarde van verbintenissen tegenover derden voortvloeiend uit technische voorzieningen of wiskundige voorzieningen (verzekeringsondernemingen), spaarfondsen (spaarkassen) of cliëntendeposito's (banken en openbare kredietinstellingen). Bij deze ondernemingen gaat het er niet om tijdelijke geldoverschotten te beleggen, doch hoofdzakelijk om een tegenwaarde te vormen voor verbintenissen tegenover derden.

    Terzake bepaalt het koninklijk besluit van 12 november 1979 betreffende de jaarrekening van de verzekeringsondernemingen, dat vastrentende effecten worden gerangschikt in twee aparte rubrieken : enerzijds de rubriek V. «Onroerende goederen en effecten bestemd voor belegging» B. Roerende waarden, 2. Vastrentende effecten; anderzijds de rubriek IX. «Thesauriebeleggingen» A. Genoteerde vastrentende effecten of B. Overige.

    Volgens de omschrijvingen in dit besluit bevat de rubriek V.B.2. «Vastrentende effecten» de vastrentende effecten, andere dan deze die geklasseerd worden onder de «Thesauriebeleggingen». In verband hiermee zegt het besluit dat onder :

    • «Genoteerde vastrentende effecten» (rubriek IX.A.) de vastrentende genoteerde effecten worden geklasseerd in de mate waarin ze bestemd zijn om in de liquiditeitsnoden van de onderneming te voorzien; het beheersorgaan bepaalt de regels die gelden voor de klassering van deze effecten onder die rubriek;

    • «Overige thesauriebeleggingen» (rubriek IX.B.) de beleggingen worden opgenomen waarvan op het ogenblik dat ze gedaan worden, de gehele of gedeeltelijke resterende looptijd ten hoogste één jaar bedraagt, zoals de schatkistcertificaten op 6, 9 en 12 maanden, de termijnrekeningen op meer dan één maand en ten hoogste op één jaar bij bankinstellingen, op de markt verworven handelseffecten waarvan de overblijvende vervaltermijn, op dat ogenblik, ten hoogste één jaar bedraagt.

    Bijgevolg hebben overheidsfondsen, krachtens het besluit van 12 november 1979, in verzekeringsondernemingen slechts zelden het kenmerk van «geldbeleggingen».

    Voor de kredietinstellingen waarop het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 niet toepasselijk is (banken, openbare kredietinstellingen, spaarkassen, ondernemingen waarop hoofdstuk I van de wet van 10 juni 1964 toepasselijk is) geldt dezelfde redenering op grond van dezelfde redenen.

Bron : Bulletin CBN, nr. 13, januari 1984, p. 7-9